Feyerabend

Feyerabend, Paul . Against method (oospr London Verso), Tegen De Methode. Lemniscaat 2008 . ISBN 1993978-90-477-0031-9

Contra-inductie: hypothesen introduceren en uit te werken die niet stroken met goed bewezen thorriem en of met goed vastgestelde feiten.

Toename van theorieën: anything goes.

‘De creatie van één ding en de creatie van, plus het volledige inzicht in, een juist idee van het ding zijn heel vaak onderdelen van één en hetzelfde ondeelbare proces en kunnen niet worden gescheten zover het proces tot stilstand te brengen’ (p 55).

‘.. dat talen en de reactiepatronen die ze inhouden niet louter instrumenten zijn om gebeurtenissen (feiten, toestanden) te beschrijven, maar dat ze gebeurtenissen (feiten, toestanden) eveneens vormgeven, dat hun ‘grammatica’ en kosmologie omdat, een allesomvattende visie op de wereld, op de samenleving, op de situatie van de mens, die het denken, het gedrag en de waarneming beïnvloedt’ (p 179). ‘Volgens Whorf komt de kosmologie van een taal deels tot uitdrukking door het openlijke gebruik van worden, maar ze berust ook op classificaties die geen openlijk kenteken hebben (..) maar die werken (..) door een onzichtbare ‘centrale uitwisseling’ van aaneengeschakelde verbindingen, zó dat ze de andere woorden die de klasse kenmerken, bepalen’ (p 179). Whorf . Language, Thought and Reality . Cambridge, mass. 1956 . P121.

Omdat na de paradigmaverschuiving nieuwe maatstaven bij oude worden gevoegd, is er geen gemeenschappelijke maat meer en kan er geen logische dwingende reden gegeven worden om te kiezen tussen twee theorieën. Dit is het principe van de incommensurabiliteitsthese. En object of theorie kan beoordeeld worden vanuit verschillende classificatie systemen; die, ten overvloede, beide aansluiten bij de voorhanden stimuli. Een voorbeeld hiervan in de sfeer van perceptie is (iedere afbeelding met perspectief in feite, bijvoorbeeld blokje met kruisje / piramide vanaf de basis of vanaf de apex gezien?). ‘In al deze voorbeelden hangt het waargenomen beeld af van ‘mentale doodposities’ die naar willekeur kunnen worden veranderd (..). Mentale disposities kunnen echter verstarren door ziekte, ten gevolge van een opvoeding binnen een bepaalde cultuur, of vanwege fysiologische determinanten die we niet onder controle hebben. (Niet elke verandering van taal gaat gepaard met perceptuele veranderingen.) Onze houding tegenover andere rassen of tegenover mensen met een andere culturele achtergrond hangt vaak af van’verstarde’ disposities van de tweede soort: omdat we hebben geleerd gezichten op een gekke manier te ‘lezen’ velen we geijkte oordelen en komen we op een dwaalspoor.’ (p 182).

En nagels is de perceptie afbeelding van een object in het brein van iemand. En pseudonabeeld is een afbeelding van een object in het brein van iemand (zonder dat die persoon het object percipieert, bijvoorbeeld door te zien. De familie van concepten rondom een pseudonabeeld en de familie van concepten rondom een materieel object zijn incommensurabel: ‘.. deze families kunnen niet gelijktijdig worden gebruikt en er kunnen noch logische, noch perceptuele verbanden tussen hen eisen gelegd.’ (p 183). De vraag is of een volwassene opgescheept is met een stabiel perceptuele wereld en een daarmee gepaard gaand stabiel conceptueel systeem, dat hij op vele manieren kan wijzigen maar waarvan de hoofdlijnen voor altijd vastliggen. Of is het realistischer te veronderstellen dat veranderingen die incommensurabiliteit met zich meebrengen mogelijk zijn en aangemoedigd moeten worden om een hoger kennis niveau te kunnen bereiken.

Er zijn geen ‘neutrale’ objecten die in ongeacht welke stijl dan ook kunnen worden weergegeven en die de nabijheid van die stijl aan de werkelijkheid afmeten. In andere woorden: iedere afbeelding van een object is door de wol van een bepaalde stijl geverfd; geen enkel object ontkomt daaraan. De toepassing van deze gedachte op talen ligt voor de hand. ‘Daarom zouden we eigenlijk niet moeten zoeken naar de psychische oorzaak van een ‘stijl’, maar eerder moeten proberen de elementen ervan te ontdekken, de functie ervan te analyseren, haar te vergelijken met andere uitingen van dezelfde cultuur ) literaire stijl, zinsconstructie, grammatica, ideologie) om zo tot een schets te komen van het daaraan ten grondslag liggende wereldbeeld, inclusief een verklaring van de wijze waarop dit wereldbeeld de waarneming, het denken en de argumentatie beïnvloedt, en van de grenzen die het aan het ronddwalen van de verbeeldingskracht oplegt.’ (p 185). Een paratactische weergave betekent dat een afbeelding uit componenten wordt samengesteld, en zich sequentieel laat begrijpen. Het ‘leest’ als bijvoorbeeld: kind (rustig), Leeuw (woest), Leeuw eet kind. Er is geen organisatie tussen de componenten, dus de gelaatsuitdrukking van het kind verandert niet. De afgebeelde personen drukken geen natuurlijk besef uit van hun situatie. Dat is wel zo in het geval van een hypotactische beschrijving. Mensen in de oudheid zouden zich ook marionetten kunnen voelen die alleen afhankelijk zijn van externe invloeden. Zo’n realistische interpretatie van stijlen strookt met de stelling van Whorf dat talen, behalve instrumenten om gebeurtenissen te beschrijven, ergens gebeurtenissen vormgeven. Er bestaat dan een linguïstische grens aan wat er in een bepaalde taal kan worden gezegd, en die grens valt samen met de grenzen van het ding zelf. Hij zou verder reiken omdat niet-linguïstische representaties zijn inbegrepen. De realistische interpretatie is aannemelijk maar niet vanzelfsprekend, omdat de kunstenaar een ‘draai’ kan hebben gegeven. ‘De argumentatie (die nooit afdoend kan zijn) bestaat uit het wijzen op karakteristieke kenmerken in ver uitengelegen gebieden. Als de typerende eigenschappen van een specifieke stijl in de schilderkunst ook worden aangetroffen in de beeldhouwkunst en in de grammatica van de talen uit die tijd (en hier vooral in verborgen classificaties die niet eenvoudig te traceren zijn), als kan worden aangetoond dat die talen zowel door kunstenaars als door gewone mensen worden gesproken, als er in de talen filosofische principes zijn geformuleerd die verklaren dat de typerende eigenschappen kenmerken van de wereld zijn en niet slechts kunstmatig toegebrachte kenmerken, en er geen poging wordt gedaan de oorsprong van die principes te verklaren, als de mens en de natuur die kenmerken niet alleen in de schilderkunst bronnen, maar ook in de dichtkunst, in veel voorkomende spreekwoorden en in de gangbare rechtspraak, als de gedachte dat de kenmerken onderdelen zijn van de normale waarneming niet wordt tegengesproken door iets wat we uit de fysiologie of de waarnemingspsychologie weten en als latere denkers de typerende eigenschappen aanvallen als ‘dwalingen’ die voortkomen uit onwetendheid over de’ware weg’ , dan mogen we aannemen dat we niet slechts te maken hebben met technische mislukkingen en specifieke doeleinden, maar met een coherente levenswijze, en mogen we verwachten dat mensen die op deze manier leven de wereld op dezelfde manier zagen als wij nu hun afbeeldingen zien’ (p 190). NB: Hoofdstuk 16 beschrijft een procedure om een meme(plex) te destilleren uit culturele expressies. Hierboven de samenvatting. Deze mensen leven inderdaad in een wereld zoals die door hun kunstenaars wordt afgebeeld.

‘Aldus opgevatte kennis wordt niet verworven door inzicht te krijgen in een essentie achter de boodschappen van zintuigen, maar door 1) de waarnemer in de juiste positie te plaatsen ten opzichte van het object (het proces, de verzameling), door hem op de passende plaats in te voegen in het complexe patroon dat de wereld vormt, en door 2) de elementen bij elkaar te voegen die onder deze omstandigheden worden opgemerkt.’ (p 196).

‘Net als ieder ander object is de mens en uitwisselingsplaats van invloeden en niet zozeer een unieke bron van actie, een ‘ik’ (het ‘Cogito’ van Descartes heeft geen aangrijpingspunt in deze wereld, en met zijn argumentatie kan zelfs geen begin worden gemaakt.)’ (p 197).

‘Er zijn te veel dingen, te veel gebeurtenissen, te veel situaties (Ilias, 2.488), en die kunnen slechts enkele van hen nabij zijn (Ilias, 2.485). Maar ook al kunnen mensen geen volledige kennis hebben, ze beschikken wel over een flinke hoeveelheid ervan. Hoe rijker hun ervaring, hoe groter het aantal van hun avonturen, van de dingen die ze gezien, gehoord en gelezen hebben, des te groter is hun kennis.’ (p 208).

‘En heel wereldbeeld, en heel universum van denken, spreken en waarnemen wordt ontbonden’ (p214). NB bij de overgang van kosmos A naar kosmos B (paradigma). ‘Gezien vanuit A (en eveneens vanuit het gezichtspunt van enkele latere ideologieën) zijn al deze denkers, dichters en kunstenaars malende krankzinnigen. .. We hebben een gezichtspunt (theorie, referentiekader, kosmos, wijze van re-presentatie) waarvan de elementen (concepten, ‘ feiten’, afbeeldingen) opgebouwd zijn volgens bepaalde constructie principes. De principes houden iets in als een soort afsluiting: er zijn dingen die niet kunnen worden gezegd of’ontdekt’, zonder de principes te overtreffen (en dat betekent niet heen tegenspreken). Zeg die dingen, doe de ontdekking, en de principes worden buiten werking gesteld. Neem nu die constituent principes die ten grondslag liggen aan elk element van de kosmos (van de theorie), elk feit (elk concept). Laten we zulke principes universele principesvan de theorie in kwestie noemen. Universele principes buiten werking stellen betekent alle feiten en alle concepten buiten werking stellen. Laten we tenslotte een ontdekking, of een uitspraak, of een houding incommensurabel met de kosmos (de theorie, het referentiekader) noemen als ze enkele van de universele principes ervan buiten werking stelt.’ ( p 215).

‘Hoe wordt de irrationaliteit van de overgangsperiode (van A naar B, dpb) overwonnen? Ze wordt overwonnen op de gebruikelijke manier (zie punt 8 hierboven), dat wil zeggen, door de vastbesloten productie van onzin, totdat het geproduceerde materiaal overvloedig genoeg is om aan de rebellen toe te staan nieuwe universele principes te onthullen en aan alle anderen die te erkennen. (..). Krankzinnigheid verandert in psychische gezondheid, mits ze rijk genoeg en ordelijk genoeg is om het als een fundament van een nieuw wereldbeeld te functioneren.’ (p 216-7).

‘Op basis van wat is gezegd, is het duidelijk dat er de inhoud van A en B niet kunnen vergelijken. (..). .. :B feiten presenteren betekent de principes buiten werking stellen die bij de constructie van A-feiten werden voorondersteld. Al wat we kunnen doen, is B-afbeeldingen van A-feiten in B tekenen, of B-uitspraken over A-feiten in B introduceren.’ (p 217).

Appendix 2

‘.. en dat lijkt te impliceren dat sterk verschillende talen niet alleen verschillende ideeën voor waar aannemen om dezelfde feiten te ordenen, maar dat ze ook verschillende feiten voor waar aannemen. Het ‘linguïstisch relativiteitsprincipe’ wijst zo te zien in dezelfde richting. Het zegt ‘dat, in informele termen, gebruikers van Bert uiteenlopende grammatica’s door hun grammatica’s worden gericht op verschillende soorten waarnemingen en verschillende evaluaties van uiterlijk soortgelijke waarnemings handelingen, en derhalve geen gelijkwaardige waarnemers zijn, maar bij enigzins verschillende wereldbeelden moeten uitkomen. (..) en dat kan betekenen dat waarnemers die van sterk verschillende taalkundig gebruik maken onder dezelfde materiële omstandigheden verschillende feiten voor waar zullen houden, ofwel dat ze soortgelijke feiten op verschillende manieren zullen ordenen.’ (p 219).

‘Incommensurabiliteit verdwijnt wanneer we concepten gebruiken zoals wetenschappers dat doen, op een open, ambigue en vaak contra-intuïtieve wijze. Incommensurabiliteit is een probleem voor filosofen, niet voor wetenschappers, ook al kunnen de laatst laatstgenoemden psychologisch de draad kwijtraken door ongewone dingen’ (p 221).

Wetenschap moet politiek zijn, het moet historisch onderbouwd zijn (maar op een niet-theoretische manier), en niet epistemologisch onderbouwd.

H17

‘Tot nu toe heb ik geprobeerd aan te tonen dat de rede, .., niet geschikt is voor de wetenschap en mogelijk niet heeft bijgedragen tot de ontwikkeling ervan. Zij moeten nu een keus maken. Ze kunnen de wetenschap behouden of ze kunnen de rede behouden; ze kunnen niet beide behouden’ (p 225).

‘De interacties en de resultaten daarvan hangen af van historische omstandigheden en variëren van geval tot geval. En machtige stam die een land binnenvalt, kan zijn weten opleggen en de inheemse tradities met geld veranderen, alleen maar om zelf te worden veranderd door de overblijfselen van de onderworpen cultuur’ (p 226) NB meer voorbeelden van wal en schip.

Naturalisme schiet tekort, omdat een tunnel ontstaat en alles uit het huidige wordt verklaard. Idealisme schiet tekort omdat de praktijk zich niet houdt aan de theoretische regels. Interactie schiet tekort omdat de twee werelden niet aansluiten, namelijk streng en ordelijk enerzijds en plooibaar en weerbarstig anderzijds. De aanvulling die nodig is is óf historisch onderzoek óf politieke actie. Hierover de volgende punten:

I tradities bestaan gewoon, goed noch slecht, II tradities krijgen pas al dan niet wenselijke eigenschappen in relatie met tot andere, III relativisme betreft tradities is verdedigbaar ergens redelijkheid en beschaafdheid IV iedere traditie heeft speciale middelen om volgelingen te werven, V Individuen of groepen die aan de interactie van tradities deelnemen kunnen een pragmatische filosofie aanvaarden bij de beoordeling van gebeurtenissen en structuren die zich aandienen VI Manieren om collectief een oordeel te vellen over een probleem zijn: geleide uitwisseling (alleen reacties binnen de kaders van een gedetailleerde traditie worden door deelnemers toegelaten) en open uitwisseling (de dit partijen gekozen aanpak ontwikkelt zich naar gelang het debat zich ontwikkelt) VII in een vrije samenleving hebben alle tradities gelijke rechten en toegang tot scholing en machtsposities VIII en vrije samenleving wordt niet opgelegd maar zal slechts ontstaan wanneer mensen en open uitwisseling aangaan en eventueel beschermende surfen indien al naar gelang van hun ontwikkeling IX debatten die de structuur van een vrije samenleving regelen zijn open en niet geleid X en vrije samenleving staat op een scheiding tussen wetenschap en samenleving.

H18

‘Volgens het idealisme is het rationeel (juist, in overeenstemming met de wil van de goden, – of welke andere bemoedigende worden er maar worden gebruikt om de inlanders een rad voor ogen te draaien) om bepaalde dingen te doen – wat er ook gebeurt. Het is rationeel (juist &c) om de vijanden van het geloof te vermoorden, ad-hoc hypothesen te vermijden, de beheren van het lichaam te verachten, tegenstrijdigheden uit te bannen, progressieve onderzoeksprogramma te ondersteunen enzovoort.’ (p 243).

Volgens het naturalisme is de rede volledig bepaald door onderzoek. Te handhaven is de gedachte dat onderzoek de rede kan veranderen.

Naturalisme en idealisme in combinatie: ‘.. een leidraad die deel uitmaakt van de geleide activiteit en die daardoor wordt veranderd.’ (p 245). Dus het probleem is niet de interactie van een praktijk met iets anders wat van buitenaf komt, maar de ontwikkeling van één traditie onder de invloed van andere‘ (p 245). Onderzoek dat zich niet aan de te onderzoeken maatstaven houdt. De natuur is kwalitatief en kwantitatief oneindig: er is behoefte aan het principe van het toenemen van inhoud. Theorieën die een overvloedige inhoud hebben in vergelijking met wat er al is zijn te verkiezen boven theorieën die dat niet hebben.

‘Anderzijds handhaven wij de les dat de geldigheid, het nut en de adequaatheid van populaire maatstaven slechts kunnen worden getoetst door onderzoek dat zich niet aan die maatstaven houdt‘ (p 247).

Experimenten van ( Salvador Luria en Delbrück 1943) op de bron van adaptatie van de weerstand van bacteriën tegen het binnendringen van bacteriofagen hebben de theorie van Lamarck weerlegd.

H19

‘Nu zijn methoden die niet uit gewoonte, zonder een gedachte te wissen aan de redenen daarvan, worden gebruikt, vaak gekoppeld aan metafysische overtuigingen’ ( p 255). NB metafysica is de wijsgerige leer die niet de realiteit onderzoekt zoals we die ervaren door middel van onze uiterlijke zintuigen (zoals de fysica), maar datgene wat boven de materie uitgaat, de totaliteit van al het gegevene.

‘Religie (..) zal lange tijd als een vitale kracht in de samenleving blijven bestaan. … Kan de religie niet worden vernietigd door de mensen die haar wellicht verwerpen. De spirituele zwakheid van het wetenschappelijke naturalisme is te wijten aan het feit dat het niet zo’n primaire bron van kracht kent.’ (EO Wilson In Human Nature . Cambridge Massachusetts . 1972 . p. 192 ev in Feyerabend p 260).

Ze (de toneelschrijvers, dpb) moeten in geen geval proberen ‘moreel gezag’ uit te oefenen. Moreel gezag, ten goede of ten kwade, verandert mensen in slaven, een slavernij, zelfs slavernij in dienst van het Goede of van God in eigen persoon, is de ellendige toestand die er bestaat.’ ( p 266).

H20

‘De kunsten, zoals ik hen tegenwoordig zie, vormen geen domein dat van het abstracte denken is gescheiden, maar vullen het aan een hebben er behoefte aan hun mogelijkheden volledig te realiseren.’ ( p 2