Kapitalisme en Vooruitgang

goudzwaardDeze post is gebaseerd op het boek Kapitalisme en Vooruitgang van Bob Goudzwaard, professor filosofie aan de VU Amsterdam en mede-oprichter van het CDA van het gereformeerde contingent. Ik was benieuwd of economische groei een ‘natuurwet’ is of dat dat iets is dat wij onszelf opleggen. Die vraag is deels beantwoord, namelijk het laatste. Wat er ‘gratis’ bij kwam is een beschrijving van de samenleving die de westerse mens heeft onwikkeld in zijn streven naar vrijheid en beheersing, om zich vervolgens afhankelijk te maken van die maatschappelijke inrichting.

De eerste zin van het boek is: ‘Zoals in de evangeliën wordt vermeld draagt elk geloof, hoe klein het ook is, het vemogen in zich tot het verplaatsen van bergen’. Zonder commentaar parkeer ik hier die zin voor later gebruik.

De Renaissance heeft de betekenis van de kerk voor het dagelijks, inclusief economisch, leven losgemaakt van God. In de plaats van de verticale structuur zoals de gildes van de middeleeuwen ontstond de mogelijkheid van horizontale ontwikkeling, de onderneming wordt zelfstandig. Arbeid, grond en kapitaal worden losgemaakt van de bestaande structuren en dienen rationeel te worden ingezet. Het handelen wordt bepaald door: ‘no moral rule above the letter of law’ (Hobbes).

Niet langer was de voorzienigheid van de middeleeuwen relevant, die het dagelijks leven voorzag in de besturing door God en bovendien het bouwen van de mens op eigen mogelijkheden veroordeelde. Het einde van de Goddelijke lotsbepaling werd tot stand gebracht door deïsme: zelf-vrijspraak en zelf-openbaring. God schept de wereld en alles erop en daarna is zijn rol uitgespeeld. Bovendien levert hetgene dat overblijft van de voorzienigheid alleen maar ‘goede uitkomsten’ op voor degenen die met de voorgeschreven orde willen leven. Naast christendom kwam het humanisme op als levensovertuiging met idealen van het streven naar vrijheid en beheersing.

De mechanistische ‘invisible hand’ van Adam Smith was een deïstische uitdrukking van de voorzienigheid. De ‘invisible hand’ brengt mensen ertoe het algemeen welzijn te dienen, zelfs al denken zij dat ze hun eigen belangen nastreven. Zo draagt een ieder die meedoet bij aan: ‘that great purpose of human life which we call bettering our condition’. Door een verregaande arbeidsdeling wordt productie efficiënter ingezet wat een grotere welvaart inclusief ‘wealth of nations’ oplevert.

Het klassieke economische wereldbeeld

1) Mens versus natuur: het economisch leven wordt getypeerd door een individu door zijn eigen menselijke arbeid in een gegeven natuur tot een zo groot mogelijke welvaart probeert te komen. Daarbij is het voornaamste instrument zijn eigen rationeel inzicht. De betekenis van het leven ligt in de omgang met de dingen van deze wereld, de natuur. De individu maakt zich waar door de dingen die hij zelf denkend en scheppend vormgeeft. De markt is niet een ontmoeting van mensen maar een ontmoeting van ieder individu afzonderlijk met een voor hem gegeven prijs. De markt is een belangeloos mechanisme

2) Dienend natuurrecht: Smith stelt voor opbloei van de welvaart de voorwaarde het respecteren van de natuurlijke orde, namelijk wat het natuurrecht vergt. De prijs die een individu ontvangt voor zijn inzet is een prijs die tot stand komt onder vrije mededinging op de markt en het natuurrecht is het recht op vrije mededinging. Het is aan de onverheid om die rechten te beschermen, zoals eigendom, contractsluiting en vrije vestiging. Het recht is dienend geworden aan de economie

3) Evenwicht als harmonie: het nieuwe voorkomen van de voorzienigheid is een evenwicht op de markt als gevolg van de werking van de ‘invisible hand’. Harmonie ontstaat als er evenwicht op de markten is: daar worden menselijke belangen gewogen. Die harmonie wordt bereikt, ook als een ieder zijn eigenbelang maximaal nastreeft. Dat laatste is dus niet een adagium, maar het draagt ook bij aan de harmonie. Hier is een paradox (Mandeville), namelijk: het gaat niet aan om tegelijkertijd maximalisatie van materiële zaken na te streven en vol te houden dat men de menselijke moraal voor ogen heeft. Uiteindelijk moet er gekozen worden

4) Verband tussen materiële welvaart en moraal: dat is utilitarisme (nuttigheid, Bentham): de mens beslist door een afweging van nut, namelijk consumptiegoederen, en noodzaak, namelijk te verrichten arbeid (samen ‘utilities and disutilities’), om te komen tot een maximalisatie van nut. Bentham stelt dat dat is wat individuen en instituties behoren te doen. Het is de moraal van ‘the greatest happiness for the greatest number’. De moraal is aangepast aan de economie

Vooruitgangsgeloof

Tijdens de verlichting kwam het inzicht dat men vooruitgaat door doelbewust te handelen en geleid door verstandelijke overwegingen om zich te bevrijden. Het vooruitgangsgeloof hechtte zich in de westerse cultuur. Dat kan, net als voorzienigheid en humaniteit, niet worden bewezen, het is een geloof. Geloof in vooruitgang houdt in het geloof dat de situatie in alle aspecten beter is op een later tijdstip dan op een eerder. Alleen door zich te verbeteren in alle aspecten van de wetenschap kan in dit geloof vooruitgang worden geboekt.

Alleen als de mens zich laat leiden door dit geloof is er zekerheid dat vooruitgang zal worden geboekt. Daarvoor is vervolmaking van de mens zelf nodig. Het proces van vooruitgang gaat niet buiten de individu om, maar speelt zich in de individu a die zelf groeit in zijn strijd met de natuur. Met dat sluitstuk kan het verloren paradijs alsnog bereikt worden en is deze ideologie praktisch geworden: het verbeteren van zichzelf is het programma dat leidt tot vooruitgang.

De verlichting heeft de basis gevormd voor de grote revoluties in Europa. De logica is als volgt: de mens is in principe goed. Het kwaad op deze wereld komt dus niet van binnen maar van die maatschappelijk structuren die de mens dwingen tot onrecht. De conclusie is dat de vijand van de veranderingsgezinde individu degenen zijn die zich met de gevestigde maatschappelijke orde hebben vereenzelvigd. Want daardoor staan zij de benodigde aanpassingen in de weg. En het logische sluitstuk is dan dat hun eliminatie de weg is om het maatschappelijk heil weer beschikbaar te krijgen.

De levensvisie tijdens de industriële revolutie (in Engeland) was een synthese van: individualistisch-puriteinse beroepsethiek, deïstisch-utilitaire maatschappijbeschouwing en een ongecompliceerd vooruitgangsgeloof. In Frankrijk was het eerder een verzet tegen bestaande instituties en het bevorderen vann het heil van de natie. Waar de industriële revolutie scheef liep is in de absolute voorrang in de ontwikkeling van de cultuur voor techniek en industriële productie, terwijl sociaal-ethische en rechtvaardigheidsnormen weinig aandacht kregen. Utilitariteit kreeg a priori het morele primaat: al het andere was dienstbaar gemaakt, waardoor gelijktijdige verwerking van economische en niet-economische normen niet mogelijk was

Programma van verbeteringen

De factoren die economische groei mogelijk maken zijn: menselijke arbeid efficiënter inzetten, gereedschap inschakelen, arbeid afzonderen voor het stelselmatig verbeteren van gereedschap en werkmethoden.

Door het vooruitgangsgeloof worden deze tot het uiterste benut, omdat van hun inzet de komst van het totale menselijk geluk in de samenleving afhangt. Het geloof in vooruitgang is direct gekoppeld aan een praktisch en concreet programma van verbeteringen. Als deze groeifactoren echter geïsoleerd en absoluut worden ingezet, dan heeft de individu initieel wel beheersing over de natuur, maar uiteindelijk wordt het individu afhankelijk van die factoren die hij zelf op de troon heeft gezet.

Na 1850 verandert het vooruitgangsgeloof van een ideologie tot een praktische en meetbare vooruitgang in technisch, economisch en wetenschappelijk opzicht en vooruitgaan wordt een doel op zich, belangrijker dan het einddoel. Duidelijk wordt dat de mens een stap is in de evolutionaire keten van opvolging. Omdat het evolutionaire proces al bestond, is de mens ‘maar’ een schakel en in plaats van het subject van de vooruitgang een object ervan geworden. Een andere invloed uit de evolutieleer is dat de ontwikkelingen tot stand moeten komen door een selectieproces: competitieve strijd en aanpassingen aan de omgeving bieden de beste kansen op de uiteindelijke overwinning.

Ontwikkeling van het kapitalisme na 1850

1) Ondernemingen worden groter, ondernemerschap en eigenaarschap worden gescheiden. De arbeidsverdeling wordt geperfectioneerd. De ondernemingen gaan voor hun zelfstandig voortbestaan leiding en kapitaal opeisen: niet de wil van de ondernemer maar de wet van de maatschappelijke evolutie is maatgevend geworden. De ondernemersfunctie wordt aan het bedrijf gebonden: het bedrijf als systeem heeft continue leiding nodig en de onderneming gaat de ondernemersfunctie als onderdeel van het eigen systeem opnemen: in plaats van dat de ondernemer eigenaar van de onderneming is, lijkt nu de onderneming de eigenaar van de ondernemer te worden. Datzelfde geldt voor technische vernieuwing. Door deze ontwikkelingen is niet langer alleen de kapitaalverschaffer de principaal en verschuift het ondernemingsdoel van rendement naar continuïteit. In de nieuwe omgeving waar economische en sociale vooruitgang een constante zijn geworden, is dit voor de onderneming een aanpassing van de onderneming aan die vooruitgang.

2) Relatie tot concurrenten en consumenten. De positie ten opzicht van concurrenten is steeds meer gericht op mededinging. Via prijsconcurrentie kan door vrije concurrentie de overlevende / winnaar een monopolie toevallen. Concurrentie richt zich in toenemende mate op technologische concurrentie en op beïnvloedingsconcurrentie: door de smaak van de consument te sturen wordt een trouwe klantenbasis opgebouwd, waardoor de continuïteit van de onderneming zeker wordt gesteld. De smaken van de afnemers worden als het ware in de planning van de onderneming opgenomen. De consument verliest zijn souvereiniteit

3) De relatie onderneming tot overheid. Door het uitgangspunt van laissez faire als economische exponent van de vooruitgang met volledige mededinging als ideaal, moest de overheid zich actief bemoeien met de economie. Ook de overheid ontkwam niet aan de consequenties van vooruitgang als systeem. Een ander aspect was bestrijding van de werkloosheid: om de individu in staat te stellen zichzelf te ontplooien, was werkgelegenheid belangrijk en daar was een rol voor de overheid weggelegd.

Dus wordt souvereiniteit opgeofferd aan de vooruitgangsideaal door de onderneming, de ondernemer, de consument, de individu en de overheid. Om de voortdurende vooruitgang in stand te houden is een samenlevingssysteem nodig dat hieraan dienend is. Gedrag van mensen dat gericht is op het voorkomen van een niet-gewenste einduitkomst van het vigerende systeem is een overlevings-ethiek. Dat biedt niets nieuws, omdat dat is afgeleid van datzelfde systeem, zij het dan om een ongewenste uitkomst te voorkomen.

De aangepaste mens

Citaat: ‘In een samenleving, waarin de vooruitgang de toon aangeeft en alle menselijke instituties en relaties daarop steeds meer zijn afgestemd geraakt, is het immers niet meer dan logisch dat ook de leden van die samenleving in hun eigen denken, doen en laten daardoor fundamenteel worden geraakt en beïnvloed. Waarom zouden wel grootheden en instituties zoals de techniek, de overheid, het prijzen- en geldstelsel en de ondernemingsfunctie aan internaliseringskrachten bloot staan en de mens zelf niet? Ook zal hij welhaast onweerstaanbaar worden getrokken binnen het krachtenveld van de vooruitgang.’ Voorbeelden zijn:

  • De ondernemer of manager moet voortdurende denken en handelen in termen van het economische meegroeien en technisch voorblijven. Dit vergt een diepgaande mentale inspanning en een ingreep in de levenshouding
  • Voor de werknemer zijn veel werkzaamheden zeer gefragmenteerd en zodanig ontdaan van hun menselijkheid. Dat is van invloed op hun gedachten en hun omgang met anderen. Als die werkwijze al wordt gewaardeerd dan lijkt dat er eerder het gevolg van te zijn dat de individu zich aan de machine heeft aangepast dan andersom
  • De verhoudingen tussen mensen wijken voor relaties tot dingen. Ook al is dat duidelijk, er is geen verandering in deze benadering, het lijkt alsof de westerse mens verlamd is geraakt in dit maatschappelijk bestel en dat de maker van de vooruitgang machtelozer wordt ten opzichte van die vooruitgang
  • De keuze voor het individu is nu tussen zich revolutionair afwenden van deze maatschappij of zich continu en onbeperkt aan te passen aan alle eisen van het systeem

De zetel van de macht

Er is een sterke binding van de westerse mens aan zijn vooruitgangsgeloof. Dat geloof heeft religieuze aspecten. Een kenmerk van elk geloof en elke vorm van religie is dat het zijn aanhangers nooit onveranderd achterlaat: het drukt een stempel op hen en op hun denken en hun relatie met anderen. Het besef van machteloosheid hangt samen met de geloofsdimensie van het vooruitgangsmotief: de eigen macht is gedelegeerd en het vooruitgangsgeloof lokt juist uit tot die overdracht van macht. De vraag is niet langer: hoe zien wij economie, techniek en wetenschap, maar hoe zien zij ons?

De humanistische beheersings- en de vrijheidsideaal zijn aan elkaar gerelateerd, omdat persoonlijke vrijheid het best tot uiting komt door het beheersen van de wereld. Er is een spanning tussen, want beide eisen de hele mens en de hele wereld op. Je kunt niet alle processen in de wereld willen kennen maar ervan afzien zodra je persoonlijke vrijheid in het gedrang komt of aan de hele wereld je vrije wil opleggen maar ophouden als je ziet dat je beheersing van de wereld daardoor in het gedrang komt. Ook het vooruitgangsgeloof, voortgekomen uit het humanisme, draagt die spanning in zich. Het kan niet anders dan de hele wereld en alles daarin aan zich ondergeschikt te maken.

De westerse samenleving heeft zich geordend en geschikt tot een doelgericht systeem ter bevordering van economische en technische vooruitgang en oefent een aanhoudende druk uit op individuen om zich aan te passen. Deze objectivering van mensen staat in verband met de beheersingsdrang van diezelfde mensen en hun vooruitgangsgeloof. Thompson: ‘We started with the law of the survival of the fittest, but now end with the law of the fitting of the survivors’. Op dit punt breng ik de eerste zin uit het boek in gedachten: door het geloof in vooruitgang doet iedere individu er alles aan om dit vooruitgangsmodel tot werkelijkheid te maken.

Goudzwaard noemt deze samenleving een gesloten of een tunnelsamenleving: een strakke organisatie is gecombineerd met allesoverheersende doelstellingen. Daarbinnen staat alles in dienst om zo snel mogelijk het eind van de tunnel te bereiken. In de sociale betrekkingen heeft niets waarde dat niet bijdraagt aan het voortbewegen in die tunnel, al het andere is zinloos of waardeloos. Dit is een gechargeerd model: de meeste westerse samenlevingen zijn minder gesloten. De sleutel om te ontsnappen aan deze tunnel moet worden gezocht aan de wortel van het humanistisch ideaal, namelijk beheersing versus vrijheid. Dat overstijgt alle politieke of institutionele krachten: de structuur van de op vooruitgang gebaseerde samenleving is zo sterk, dat de werking van deze samenleving voortgaat, zoals een vliegwiel. Een verandering moet zich richten op het doorbreken van de verzelfstandigde rol van de vooruitgangskrachten in de samenleving. Bovendien moet voor een verandering niet de vooruitgang de maat te geven voor de samenleving, Het vooruitgangsdenken is circa 250 jaar gestart en is tot in de kleinste details en over de hele breedte in de westerse samenleving aanwezig. Het is te verwachten dat dit niet op korte termijn zal zijn aangepast.

Gepubliceerd door

dpbruin

PhD Candidate The Firm as an Emergent Phenomenon