Memetics

Mijn uitgangspunt in dit blog is dat er overeenkomsten zijn tussen de evolutie van een onderneming en die van een een organisme. Overeenkomstige kenmerken zijn: beide voegen zich naar de omgeving en beide brengen nieuwe dingen voort. Verschillen zijn dat, in tegenstelling tot een organisme, een onderneming zich niet sexueel voortplant, daarbij geen genetisch materiaal kopieert van generatie op generatie en dat daarbij geen mutaties voorvallen.

Als genetische evolutie volgens Darwin niet het mechanisme is dat zelf-organisatie en vernieuwing voortbrengt, wat is mechanisme dat dan wel? In deze post 1 van 7 zoek ik uit of het begrip ‘Meme’ hierin bruikbaar is.

Ik heb in de post ‘Poised on the Edge of Chaos’ in de conversatie Konijnen + Vossen = Catastrofe van dit blog voorgesteld om bedrijven te beschouwen als groepen van activiteiten in een landschap van alle mogelijke activiteiten en in de post Simplexity en Complicity daarin als een veld van interacterende ‘agents’ in een netwerk. Een bedrijf is dan een groep activiteiten met één of andere samenhang, in een netwerk van activiteiten. Die ‘agents’, wat het ook mogen zijn, activiteiten activiteiten bijvoorbeeld, hebben ieder zelf een set met regels en connecties met andere ‘agents’, waarmee ze informatie uitwisselen.

Die regels en die communicatie leiden tot allerlei profane zaken die bedrijven bezighouden, zoals werkafspraken, de volgorde van bewerkingen, het overdragen van de beste werkwijze om een activiteit uit te voeren, een procesbeschrijving, een Business Process Redesign methodologie, een aanpassing in een agenda, een stijlafspraak (‘zo doen we de dingen hier nou eenmaal’), afspraken over de voorwaarden van toetreden tot of verlaten van het netwerk, over het tegemoet treden van klanten en het omgaan met leveranciers en concurrenten, over het aanbod van artikelen in de kantine, parkeerplaatsen en lease auto’s en zovoort.

De regels en de communicatie passen zich aan als gevolg van veranderingen in de omgeving. En ten overvloede: de onderneming is zelf ook onderdeel van een omgeving en de eigen aanpassingen  leiden via aanpassingen in regels en communicatie tot aanpassingen daarvan in andere bedrijven en de omgeving.

Als dat landschap van mogelijke activiteiten het substraat is, dus het geheel van alle mogelijke denkbare activiteiten, wat bevolkt dan dat landschap en die communicatie, de transmissie van informatie dus, dat dat landschap in gebruik neemt en er leven inblaast? De vragen zijn concreet: wat is de ‘substantie’, de uitdrukkingsvorm van die regels en van die communicatie, waaruit bestaat het, waarom propageert het zich en hoe ontwikkelt het zich?

In zijn boek ‘The Selfish Gene’ stelt Richard Dawkins dat organismen in het algemeen en mensen dus ook, een vehikel zijn voor het doorgeven van genetische informatie. In datzelfde boek ointroduceert hij het begrip Meme. Dawkins is een voorbeeld, omdat hij, belangrijk en zeldzaam, ‘rücksichtlos’ zijn nek uitsteekt door buiten de gebaande wetenschappelijke paden te treden zonder mystiek of ‘iets-istisch’ te worden (het tegendeel eigenlijk). Hij formuleert de behoefte aan een culturele replicator (analoog aan de genetische organische replicator) die zorgt voor de transmisssie van stukjes cultuur als volgt. Zie hieronder het ontstaan van een nieuw woord:

“We need a name for the new replicator, a noun that conveys the idea of a unit of cultural transmission, or a unit of imitation. ‘Mimeme’ comes from a suitable Greek root, but I want a monosyllable that sounds a bit like ‘gene’. I hope my classicist friends will forgive me if I abbreviate mimeme to meme. If it is any consolation, it could alternatively be thought of as being related to ‘memory’, or to the French word même. It should be pronounced to rhyme with ‘cream’.” De definitie van een meme is: “an idea, behavior, or style that spreads from person to person within a culture.” A meme acts as a unit for carrying cultural ideas, symbols, or practices that can be transmitted from one mind to another through writing, speech, gestures, rituals, or other imitable phenomena with a mimicked theme.’ Zie voor voorbeelden overigens ook deze link naar Internet Meme. Dit is in abstracte termen alles wat een onderneming een onderneming maakt, het is de cement.

De meningen verschillen in hoeverre een meme exact analoog moet zijn met aan een gen, maar het belangrijkste standpunt is dat een meme functioneel gezien de culturele equivalent is, omdat memes ook zelf-repliceren, muteren en adapteren. ‘Fitte’ memes overleven beter dan de ‘niet-fitte’ door concurrentiedruk uit de omgeving, analoog aan genen. Bij het proces van transmissie worden ze al dan niet door de gastheer oftewel gebruiker (een mens) letterlijk doorgegeven (in de praktijk alleen door mensen met een autistische afwijking) en ontstaan er mutaties in de boodschap als de boodschap niet correct overkomt, conform genetische mutaties. Dawkins gaat uit van deze condities voor een  evolutionair proces:

  • variatie of de introductie van nieuwe veranderingen aan bestaande elementen
  • de capaciteit om te repliceren of copieën van elementen te maken
  • “fitness” of the mogelijkheid dat het ene element geschikter is voor een bepaalde omgeving dan een andere

Dit zijn functionele, dus geen fysieke, voorwaarden voor een evolutionair proces en dat hoeft zich dus niet tot organische evolutie te beperken. Dawkins noemt dit ‘Universal Darwinism’, een algemeen kader voor evolutiaire ontwikkeling. Als ideeën worden doorgegeven van één generatie aan een volgende, dat ze bijdragen aan of juist onttrekken aan de overlevingskansen van de gebruiker en daarmee de overlevingskansen van de ideeën zelf beïnvloeden. Hij geeft als voorbeeld dat een populatie met een bepaalde cultuur unieke ontwerpen kan maken voor het vervaardigen van gereedschappen. Deze ontwerpen geven die populatie een competitief voordeel boven een andere, omdat sommigen het hebben en andere niet. Ieder ontwerp van een gereedschap of het proces van het ontwerpen van gereedschap heeft dan dezelfde functie als een biologisch gen heeft, namelijk dat sommige populaties het hebben en andere niet. De aanwezigheid van die meme heeft een directe invloed op het ontwerp in latere generaties. Dat mensen gastheer zijn voor replicerende memes ligt in het verlengde van de redenering dat levende organismen een gastheer zijn voor replicerende genen.

Deze alinea hierboven is essentieel: een populatie die een bedrijf is, definieert zich door de praktijken voor het genereren van activiteiten (mijn woorden) ofwel gereedschappen (Dawkins’ woorden) die zijn agents hebben ontwikkeld. Die maken dat juist die onderneming iets heeft dat andere populaties niet hebben. Daarmee kan ze zich onderscheiden en de kans om de concurrentieslag te winnen vergroten. En tegelijkertijd om precies te zijn: de ‘agents’ die deel uitmaken van die populatie vergroten de kans op hun succes juist door er onderdeel van uit te maken.

De consequentie van deze typering van een mens als een ‘gastheer’ (die term wordt ook gebruikt voor bijvoorbeeld lintwormen) is dat mensen worden gebruikt door memes die bezig zijn zichzelf te propageren. Dat is hetzelfde als dat een wetenschapper een manier is voor een bibliotheek om een andere bibliotheek te maken (Dennett, Darwin’s Dangerous Idea p. 346) en het voelt niet helemaal goed. Aan de andere kant: iedereen heeft wel eens aan een liedje gedacht waar je eigenlijk een hekel aan hebt en waarvan je geen idee hebt waarom je nou juist daaraan moet denken (ik moet toegeven dat dit mij wel eens is gebeurd met een groep die ‘The Carpenters‘ bleek te heten). Ik had daar helemaal geen invloed op, het liedje zat in mijn hoofd.

Hoe langer een meme in het spel blijft, des te beter zijn haar overlevingskansen als levensvorm. Als zij langer in het geheugen van zijn gastheer weet te blijven en als die langer leeft dan is de meme meer succesvol. Als hij het leven van een gastheer verkort heeft de meme minder kans op een succesvolle replicatie. De levensduur van de gastheer is een beperking: een meme vergroot de kans op succesvolle replicatie als hij zich kan repliceren naar een nieuwe gastheer. Die overdracht kan horizontaal (bijvoorbeeld tussen collega’s) en vertikaal (bijvoorbeeld tussen ouders en kinderen) plaatsvinden. Bedrijven willen bij hun ‘agents’ ‘on top of mind’ blijven. De ‘corporate identity’ draagt ertoe bij dat de medewerkers zich er beter thuis voelen (of juist minder en dat maakt een vertrek makkelijker en de populatie onderling sterker verbonden). Die ‘corporate identity’ is een meme die in de hoofden van de mensen die betrokken zijn bij die onderneming (denk ‘agents’) aanwezig is. Datzelfde geldt voor andere betrokkenen zoals klanten en leveranciers: ook zij zullen zich nauwer bij dat bedrijf betrokken voelen of juist niet. Ook hetzelfde geldt voor een specifieke productiemethode of een nieuw product of dienst of welke andere slimme werkwijze dan ook. Deze memes dragen bij aan een onderling verband tussen de ‘agents’ (of subsets daarvan) en een versterking van de populatie, die op basis hiervan iets kan dat anderen niet kunnen.

De fitness van een meme, dus de mate waarin hij zich kan repliceren, is niet noodzakelijk afhankelijk van de (biologische ) fitness die hij zijn gastheer oplevert. Maar de meesten kunnen zich vermenigvuldigen vanwege onze waardering voor die meme. Het ligt voor de hand dat een meme wel enige vorm van onderscheidbaar voordeel op moet leveren voor de gebruiker om ook op de lange termijn te kunnen overleven.
Evolutie van memes kan naast Darwiniaanse evolutie (aanpassing genetisch materiaal in de genen pool) ook plaatsvinden door Lamarckaanse evolutie, namelijk dat een kenmerk van een handeling, die succesvol blijkt te zijn, meteen als idee wordt gepropageerd en gekopieerd door nieuwe gastheren voor onmiddelijk gebruik. Dit verschil is als volgt: het kopieëren van het spijkeren door iedere slag met een hamer exact na te doen (Darwin, de instructies kopieëren) versus op een spijker slaan totdat hij in het hout zit (Lamarck, het product kopieëren). Met andere woorden: transmissie van memes kan horizontaal en vertikaal ook binnen één biologische generatie (bijvoorbeeld van senior naar junior collega) plaatsvinden. De transmissie vindt plaats door communicatie of door imitatie, door directe waarneming of via een gegevensdrager. En de verspreiding van memes gaat met de snelheid van het licht, springt van het ene platform op het andere en is vrijwel niet meer beheersbaar.

Er kunnen clusters van memes, memeplexes ontstaan, bijvoorbeeld politieke en religieuze overtuigingen. Nieuwere memes kunnen op het succes van bestaande memplexes meeliften, aan wiens succes ze omgekeerd weer bijdragen. Memes of memeplexes kunnen zich na een periode van succes verharden tot een (bijvoorbeeld religieus) dogma en zo in seculiere wetten terechtkomen of een cultureel taboe opleveren. In de context van bedrijven stel ik me voor dat er memeplexes in bestaan van memes die onderling vertrouwen vergroten, misschien een vleugje trots, een herkenbare aanpak of werkwijze, een bepaalde houding van de individu versus het bedrijf, een al dan niet empatische houding ten opzichte van collega’s en zelfs ten aanzien van het bedrijf als abstract geheel. Aaron Lynch heeft zeven patronen van ‘meme transmission’ beschreven, waarvan de eerste vijf voor dit onderwerp mogelijk nuttig zijn, namelijk:

  • Proselytic: dit zijn ideeën die gaan over het bekeren tot een geloof van iemand anders of iemand te winnen voor een (politieke) overtuiging. Deze ideeën kunnen buiten de eigen familie worden uitgedragen
  • Preservational: dit zijn ideeën die de invloed op de gebruiker hebben dat die voor een langere periode aan deze ideeën vasthoudt. Deze ideeën zijn resistenter tegen het verlaten ervan door de gastheer of het vervangen door Proselytische
  • Adversative: deze ideeën beïnvloeden de gastheer zodat die geneigd is om concurrerende ideeën aan te vallen of te saboteren
  • Cognitive: ideeën die worden gezien als appellerend aan de leidende redeneertrant van de populatie die eraan wordt bloorgesteld. Een voorwaarde hiervoor is dat er al een basis is van gerelateerde ideeën. Deze vorm is niet zelf-replicerend
  • Motivational: deze ideeën worden door nieuwe gastheren geadopteerd, omdat ze er een eigenbelang in zien om ze te adopteren. Deze vorm kan niet zelfstandig ideeën overbrengen en doet dit in combinatie met andere
  • Quantity of parenthood: een idee dat invloed heeft op het aantal kinderen dat men heeft
  • Efficiency of parenthood: een idee dat de fractie van de kinderen die ideeën van hun ouders aannemen vergroot


Daniel Dennett is ook een voorbeeld, vanwege de enorme scope van relevante onderwerpen uit allerlei disciplines waarover hij beschikt en door zijn heldere, humorvolle soms polemische en meesterlijke schrijfstijl. In Darwin’s Dangerous Idea schrijft hij het volgende over dit onderwerp. Er zijn heel veel – al of minder relevante – redenen te bedenken waarom je je autobiografie in de periode tussen je 10-de en je 20-ste jaar nog niet hebt geschreven. Al wat je ervan weerhoudt is een paar uur typen. En dat geldt voor veel meer dingen die je zou hebben kunnen schrijven, ontwerpen of maken. En dat geldt voor bijna alle mensen en, naar rato van waarote ze in staat zijn, voor vrijwel alle organismen en eigenlijk voor de natuur als geheel.

Met andere woorden: in de Bibliotheek van Borges (of die van Babel of die van Mendel) met alles wat geschreven is, alle denkbare en ondenkbare variaties daarop inclusief de misdrukken en alles wat geschreven zou kunnen worden met alle variaties daarop zijn verreweg de meeste boekenplanken leeg. Analoog daaraan is de ruimte met alle activiteiten (dat zijn mijn woorden, Dennett gebruikt de term ‘Designs’, misschien het best te vertalen als concepten) grotendeels ongebruikt. En voorzover hij niet ongebruikt is dan is hij volgens Stuart Kauffman voor een groot deel gevuld met ‘red herrings’, namelijk onaffe, deels werkende, halfbakken houtje-touwtje- of schijnoplossingen. En dat geldt allemaal ook voor het organische gedeelte van die bibliotheek (die van Mendel), want in feite zijn dat dezelfde bibliotheken.

Alle activiteiten die wel in gebruik zijn (misschien is ‘Design’ toch een betere term) stammen niet alleen af van de genetische samenstelling van de schrijver (of andere producent). Hun afstamming wordt ook bepaald door wat ze eerder in andere boeken hebben gelezen of afgekeken hebben of op de cursus hebben geleerd. Die afhankelijkheid wordt grotendeels bepaald door toeval: wanneer en hoe en door wie je op het idee bent gekomen om een bepaald boek te lezen dat van invloed blijkt te zijn op jouw product en wie door het lezen van jouw boek weer op ideeën is gekomen. Dennett zoekt dus ook een manier om de transmissie van Design binnen een cultuur te meten en komt op de meme van Dawkins uit.

Dus Leven is nu 4 miljard jaar bezig met evolueren en heeft een verwaarloosbaar klein hoekje van het hele landschap aan mogelijke activiteiten (Dennett: Universal Design Space, Dawkins: Universal Darwinism) in gebruik met feitelijke activiteiten. En alle mogelijke exploraties van alle – al dan niet organische – activiteiten (‘children and children’s children, brainchildren and brainchildren’s children) kunnen alleen maar afstammen van die voorraad met originele elementen: genes en sinds een paar duizend generaties dus ook memes. Dat is allemaal dus voorgebracht door hetzelfde evolutionaire proces. Niet iedereen wil dit horen want dat betekent dat de mens en alles wat hij heeft voortgebracht geen bijzondere positie in het universum hebben.

Of toch: de mens is een dier en niet door God gemaakt naar zijn eigen voorbeeld. Wat de mens gelukkig toch een beetje bijzonder maakt is dat hij de enige diersoort is die over cultuur beschikt. Dennett vergelijkt evolutie met het gebruik van een kraan (in de zin van hefwerktuig): op het fundament van de producten van zijn voorgangers brengt evolutie nieuwe producten voort. In dat perspectief  is cultuur een bijzonder krachtige kraan. Ter illustratie: de grote toename in gemiddelde lengte van mensen de afgelopen eeuwen is vrijwel alleen te danken aan betere leefomstandigheden en meer en betere voeding. En die zijn zonder uitzondering te danken aan culturele aspecten. Ergo: cultuur is de meest krachtige kraan van allemaal. En die cultuur wordt overgebracht door memes.
Dennett citeert George Williams: ‘a gene could be identified as any hereditary information for which there is a favourable or unfavourable selection bias equal to several or many times its rate of endogenous change’ (nadruk op information van Dennett). Dat is meer nog het geval voor memes. Waar genen semantisch en syntactisch informatie overdragen, is het proces in het geval voor memes alleen semantisch. En waar het genetisch kopieerproces nagenoeg geen fouten maakt, een mutatie hier en daar daargelaten, worden bij het overdragen van memes constant fouten gemaakt, aanpassingen gedaan bijvoorbeeld om het die meme mogelijk te maken in zijn context te passen. En vaak zijn dat op een oplossing gerichte mutaties die genetisch niet voorkomen.

Memes zijn een vaste factor in de ecologie van u en mij. Vanaf onze geboorte maken ze onze identiteit. Dat wil zeggen die memes waar we ons mee identificeren bepalen mede wie we zijn. Dennett geeft het voorbeeld van het celibaat: dat concept bestaat in het hoofd van een ieder, maar er is maar een handjevol mensen dat zich echt met die meme identificeert en er als non of priester naar gaat leven, zelfs als dat tegen zijn biologische fitness indruist. Dat betekent dat ze een rol spelen in alle aspecten van een bedrijf en daar op die manier samenhang aan geven. Mits we ons ermee identificeren.

Tot zover deze eerste post van 7. Ik ben benieuwd of ik in dit losse geheel van memes in hoofden van mensen een samenhang kan vinden zodat er bij ondernemingen van enige vorm van Levendheid kan worden gesproken. Wordt vervolgd!

Gepubliceerd door

dpbruin

PhD Candidate The Firm as an Emergent Phenomenon