Start-Ups of Old

Dit is deel 3 van 3 waarin wordt bekeken wat er te leren valt van oude bedrijven. Als je 20 bent en je hebt net voor veel geld de start-up verkocht die je 3 jaar geleden bent begonnen houdt het je vast minder bezig, maar je kunt je afvragen wat je anders had moeten doen als het bedrijf waar je verantwoordelijk voor bent niet  goed gaat of failliet aan het gaan is. Dit is zeker in deze tijd een relevante vraag.

Als we nu ‘de verrekijker omdraaien’ en we kijken naar de populatie van bedrijven, sectoren dus, in de tijd dat ze ontstonden (start-up fase) op basis van een halfwaardetijd van 100 jaar, dan ontstaat een beeld van de commerciele bedrijvigheid in de de tijd van het ontstaan van die bedrijven. Die halfwaardetijd betekent dat van het aantal bedrijven dat op enig moment bestaat, er na 100 jaar de helft over is. Die 100 jaar is een veelgebruikte ‘rule of thumb’, zonder dat daar een harde  onderbouwing voor is. De eerste en de laatste 2 periodes worden ieder ook als een periode van 100 jaar gezien. In de tabel hieronder zijn de resultaten van die berekening weergegeven, dus de aantallen ‘start-ups’ in verschillende landen, berekend op basis van de aantallen overlevers.

578 – 1299 14-de 15-de 16-de <1650 <1700
Japan 11.264 2.816 1.024 6.528 4.448 2.816
Duitsland 6.656 5.120 3.328 2.752 1.376 1.216
Engeland 2.560 256 128 576 96 544
Italie 1.536 1.536 384 320 128 160
Oostenrijk 1.536 1.280 1.024 704 256 256
Frankrijk 1.536 512 640 320 64 288
Belgie 1.536 256 128 128 64
Ierland 1.024 256 128
Polen 1.024 256 128
Finland 512 32
Denemarken 512
Zwitserland 1.024 768 64 128 128
Nederland 256 192 352
Slovakije 256 128 96
Tsjechie 256 128 512
China 128 192 64 160
Spanje 128 128 32
Estland 128
Turkije 64 32
USA 128 160
Zweden 64 128
Polen 64 32
Oekraine 32
Portugal 32
Noorwegen 96
Canada 32
Litouwen 32

 

De aantallen hierboven zijn ‘mechanisch’ berekend en eerlijk gezegd lijken ze (per sector per periode) in sommige landen extreem hoog. Dat geldt vooral voor de vroegere periodes: de aantallen start-ups nemen nogal toe in vroegere periodes. De verdubbeling van het aantal benodigde start-ups om met tot een aantal overlevers te komen is dus mogelijk te groot. Dat kan erop duiden dat die halfwaardetijd niet constant is maar varieert met de tijd, bijvoorbeeld onder invloed van omgevingsfactoren (alles ging vroeger langzamer). Hoe dan ook: ik heb het zo gelaten omdat ik geen andere bron heb om deze aantallen mee te controleren: aanpassingen hierop zouden dan net zo arbitrair zijn.

Er zijn allerlei invloeden op die bedrijven mogelijk geweest en er  is vooral veel kans in het spel geweest. Deze exercitie dient dus alleen ter illustratie van het aantal start-ups per bedrijfstak om bij die halfwaardetijd de aantallen overlevers te bereiken, een business landschap dus. Dat levert vooral  een beeld op van de context, die blijkbaar in een bepaalde periode gunstig genoeg was voor voldoende ‘start-ups’, zodat daar blijkbaar een aantal over kon blijven.

Hieronder staat een plaatje met start-ups per periode op basis van diezelfde berekening maar nu per sector. De bedoeling ervan is vooral visueel: elke kleur is 1 van de circa 105 sectoren die in de loop der tijd zijn ontstaan en waaruit nu nog overlevers bestaan. Dat geeft een idee van de aantallen bedrijven die er per sector moeten zijn geweest om in die sectoren te overleven tot nu toe. Volg deze link naar de spreadsheet met alle basisinformatie.


Intuitief is het niet vreemd dat er in de vroegste perioden relatief veel brouwerijen en bakkerijen en later metaalbewerkers en wijnhuizen voorkomen. In de zeventiende eeuw waren er op Vlieland, met een inwonertal van circa 5.000 zielen, 8 bierbrouwerijen. In latere perioden kwam daar papier, textiel en vervolgens kleding, kranten, uitgeverijen en technische bedrijvigheid bij.

Intuitief is het ook niet vreemd dat als een techniek eenmaal succesvol is, die ineens vaak wordt gekopieerd en er dus ineens een soort ‘cambrian explosion’ van dergelijke bedrijvigheid is. Minder voor de hand liggen de grote aantallen restaurants en hotels, zoals in Japan. Voor andere sectoren kan 1 aanbieder al genoeg zijn, zoals de Port of Aberdeen of een bedrijf dat munten slaat. Door de brute berekeningswijze komen van die voorbeelden veel hogere aantallen in de tabel terug, terwijl dat niet realistisch is.

Wel wordt duidelijk dat in latere perioden er meer verschillende sectoren opduiken, terwijl de oudere niet volledig verdwijnen. De varieteit wordt dus groter, het landschap rijker. Naast de stand van de techniek lijkt een goede verklaring dat meer aanbod van producten en diensten op zijn beurt weer leidt tot nieuwe mogelijkheden. Denk bijvoorbeeld aan de modelijkheden die de eerste transportbedrijven gaven om materialen en deelproducten van iets verder weg te halen en dus niet alleen van lokaal aanbod afhankelijk te zijn. Een ander voorbeeld is van de introductie van (goedkoop) drukwerk, zodat technieken in hoog tempo voor anderen beschikbaar kwamen. De volgende punten vallen op:

  • Het is onwaarschijnlijk dat de halfwaardetijd altijd 100 jaar is geweest. Het lijkt er eerder op dat die in de tijd varieert. Intuitief lijkt me dat die halfwaardetijd (deels) afhangt van de contex, namelijk het voorkomen van voor de onderneming onverwachte gebeurtenissen
  • Op grond van deze berekening is het start-up landschap in Nederland veel minder rijk geweest dan ik me had voorgesteld bij de relatief open en vrije maatschappij die het lang is geweest. Mogelijk is dat een minder belangrijk aspect van die context
  • Met de tijd neemt de diversiteit van sectoren toe en zeker in de 16-de en 17-de eeuw is die toename (wereldwijd) groot. Dat strookt met de intuitie dat als er meer verscheidenheid is, er meer nieuwe verscheidenheid kan komen
  • Een aantal leveranciers van basisbehoeften blijven steeds bestaan en nieuwe sectoren (die meer toegevoegde waarde leveren) komen erbij. Getuige het vorige punt gebeurt dat in een versnellend tempo.

Dit was deel 3 van 3 over het onderwerp oude bedrijven. Het is niet makkelijk te voorspellen, zeker niet als het over de toekomst gaat. Getuige deze 3 delen was het verleden al niet makkelijk, dus dat belooft nog wat voor dit blog. Toch heeft het wel een aantal interessante gedachten opgeleverd en ik neem me hierbij voor om, in de traditie van een favoriete schrijver Douglas Adams, een toegift te schrijven met voor dit blog relevante conclusies. Deel 4 van 3 zit in de pijplijn dus.

Gepubliceerd door

dpbruin

PhD Candidate The Firm as an Emergent Phenomenon