Notes on Philosophers

Filosofen Lexicon – Werk, Leven en Citaten van tweehonderd grote denkers. Ruben Heijloo, Erno Eskens e.a. – 2007, Diemen: Veen Magazines ISBN 978-90-76988-62-7

This is an (unedited) listing of a number of philosophers with the objective to survey where possible connections are with the subject of the theory of firms under development.

Max Ferdinand Scheler 1874 – 1928

‘Politics and Morals’, ‘The Idea of Eternal Peace and Pacifism’ were subjects of talks he delivered in Berlin in 1927. In his analyses of capitalism Scheler argued that capitalism was a calculating, globally growing ‘mind-set‘, rather than an economic system. While economic capitalism may have had some roots in ascetic Calvinism (cf. Max Weber), its very mind-set, however, is argued by Scheler to have had its origin in modern, subconscious angst as expressed in increasing needs for financial and other securities, for protection and personal safeguards as well as for rational manageability of all entities. However, the subordination of the value of the individual person to this mind-set was sufficient reason for Max Scheler to denounce it and to outline and predict a whole new era of culture and values, which he called ‘The World-Era of Adjustment’.

Theodor Adorno 1903-1969

Kritische theorie (met Max Horkheimer): de mens mag niet gewennen aan zijn vervreemding. Dit is de kloof tussen mens en wereld die is ontstaan na de verlichting en groter wordt. In de verlichting is de wens ontstaan de natuur volledig te beheersen: nu is de mens slaaf geworden van dit streven tot volledige beheersing. Een ander kenmerk van de verlichting is de sociaal-ontologisch atomisme, dat mensen voorstelt als rationele onpersoonlijke subjecten. Verschillen tussen groepen worden niet langer geinterpreteerd als diversiteit maar als het Absoluut andere dat ontoegankelijk is en moet worden geelimineerd.

Dialektik der Aufklaerung (met Horkheimer) 1947, Minima Moralia (1951), Negative Dialektik (1966), Aestethische Theorie (1970).

Giorgio Agamben 1942-

Souvereiniteit van de staat en de reikweidte van de wet. Onderscheid bios, het politieke leven van een burger en de zoe het naakte leven. Bios heeft de macht in te grijpen in zoe, het te definieren. In bepaalde gevallen kan de staat dus de individu buiten de (oorsponkelijke) wet plaatsen, namelijk door te bepalen waar de wet niet meer volledig geldt.

Stanze (1970), Homo-sacer cyclus (1993-), Le Temps qui reste (2000)

Hannah Arendt 1906-1975

Zij analyseert de massa maatschappij die die via automatisering, vervreemding en onverantwoordelijkheid een voedingsbodem is voor een totalitaire staat. Het individuele bestaan wordt daar zinloos en de vrijheid verdwijnt. De oude grieken namen geen genoegen met verzorgende arbeid of productief werk maar eisten ook handelen in het politieke leven.

The Origins of Totalitarianism (1955), The Human Condition (1960).

Aristoteles 384-322 VC

Grondlegger van de metafysica, ‘wat achter de fysica zit’. Dit is de hoogste wetenschap die zich niet bezighoudt met specifieke delen van de werkelijkheid maar met het gehele zijn. Een belangrijk inzicht is dat alles in de natuur door iets anders wordt bewogen of in gang gezet. De bron van alle beweging is de ‘onbewogen beweger’, die dus zelf alle beweging veroorzaakt zonder zelf te bewegen. Ook grondlegger van de logica: syllogisme. Ethica Nicomacheia, hoe de mens zich dient te gedragen.

Jean Baudrillard 1929-

Net als de dingen ontlenen ook de woorden hun belang aan de handel: er is vraag naar en dan bepaalt de markt wat beteksnisvol is. Betekenis is een fantasiebeeld. Het verschil tussen vorm (teken) en (inhoud) betekenis wordt ondernijnd. Er is geen vaste relatie tussen het woord en het object waarnaar het verwijst. Een hoop op een vaste waarde is het geloof in een realiteit. Echter deze realiteit is verrruild voor een hyperrealiteit: alle standpunten worden ongeloofwaardig maar we moeten het ermee doen. Er is geen realiteit meer, het is een sprookje en de media bepaalt wie lang en gelukkig mag leven.

La Systeme des Objets (1968), La societe de consommation (1970), L’Echange symbolique et la Mort (1976), A l’ombre des majorites silencieuses (1978), Les strategies fatales (1983), Amerique (1986).

Jeremy Bentham 1748-1832

Sociaal Utilitarisme: het grootste geluk moet woorden nagestreefd voor het grootst aantal mensen. Het individu dat van nature streeft naar zijn eigen geluk, moet inzien dat het dit het beste is gediend als hij zijn eigen streven aanpast aan dat algemene doel. Een ongebreideld hedonistisch egosime zal dus niet het gevolg zijn. Het principe geldt voor ethiek en voor het recht. De wetgever moet zich zo min mogelijk bemoeien met de individu.

Principles of moral and legislation (1781), The rationale of evidence (1827).

Isaiah Berlin 1909-1997

Er zijn veel ondeelbare menselijke waarden die niet tegen elkaar kunnen worden weggestreept noch kunnen worden gereduceerd naar dingen zoals geluk of nut. Objectief pluralist omdat de waarden waarop wij onze keuzes baseren niet door onszelf worden uitgevonden. Kritisch tegenover: 1) de veronderstelling dat op alle vragen 1 antwoord bestaat 2) dat die antwoorden kenbaar zijn 3) dat ze niet met elkaar in tegenspraak zijn. Volgens ddit standpunt heeft de geschiedenis geen einddoel en kan de filosofie geen definitieve antwoorden geven.

Karl Marx (1939), The hedgehog and the fox (1953), Two concepts of liberty (1958), Against the current (1979)

Edmund Burke 1729-1797

De maatschappij is een contract (.) Omdat de doelen van deze maatschappij de levensduur van de generaties overtijgen, gaat het hier niet alleen om een verbond tussen levernden, maar ook tussen levenden, overledenen en degenen die nog moeten worden geboren.

Rudolf Carnap 1891-1970

Logische positivisme: duidelijkheid en helderheid in de wetenschap.

Der logische oufbau der welt (1928), Logische syntax der sprache (1934), testability and meaning, introduction to semantics (1942), formalisation of logic (1943), meaning and necessity (1947), logical foundations of probability (1950).

Charles Robert Darwin 1809-1882

Daniel Clement Dennett 1942-

Jacques Derrida 1930-2004

Deconstructivisme: de betekenis van een tekst heeft per se geen betekenis maar wordt bepaald door de context ervan (dehors texte). Omdat wereld buitend e tekst verandert verandert de betekenis van de tekst zelf ook. De ene betekenis is niet noodzakelijk beter dan een andere, het is meer zoals het wegnemen van een matroesjka poppetje: het is een ander poppetje dat tevoorschijn komt, niet per se beter.

De la grammatologie (1967), La voix et la Phenomene (1967), Marges de la philosophie (1972), eperons. Les styles de Nietsche (1978), La verite en peinture (1979), Glas (1981), Positions (1981), Signeponge-signsponge (1984).

Rene Descartes 1596-1650

Gedachten kennen geen ‘uitgebreidheid’ en behoren daarmee niet tot de fysieke ruimte. Grondlegger van de moderne filosofie.

Amitai Etzioni 1929-

Grondlegger van het communitarisme: de smanleving bestaat volgens hem uit gemeenschappen. Binnen deze gemeenschappen heersen normen en waarden en van de burgers wordt verwacht dat die deze respecteren. Etzioni gelloft niet dat de politiek deze normen en waarden van boven kan opleggen, deze moeten worden door de gemeenschappen zelf worden bepaald. Die gemeenschappen ontsporen niet makkelijk als ze niet door de politiek worden aangestuurd. Vanuit de Joods-Christelijke traditie is namelijk bekend hoe we goed moeten samenleven en als de poitiek zich er niet mee bemoeit komt die kennis vanzelf bovendrijven. Herintroductie van de schandpaal zal de samenleving ten goede komen.

Comparative Analysis of Complex Organizations (1961), The Active Society: A Theory of Societal and Political Process (1968), The new Golden Rule (1996), From Empite to community: A New approach to international relations (2004).

Ludwig Feuerbach 1804-1872

Atheisme: God voorgesteld als een projectie van de mens, een ideaal buiten zichzelf. Religie is verklaard vanuit egoisme en drang naar menselijk geluk. Door deze idealistische stap plaatst de mens zijn wezen buiten zichzelf en vervreemdt dus van zichzelf. Tegenover deze vervreemding komt een nieuw materialisme, een herwaardeing van het materialisme. Objectieve kennis is alleen mogelijk door aards te denken, omdat alle kennis via de zintuigen binnenkomt en niet via God.

Das Wesen des christnetums (1841), Grundzatse de Philosophie der Zukunft (1843), Vorlesungen uber das Wesen der Religion (1848), Theogonie (1857).

Paul Karl Feyerabend 1924-1994

Criticus van de wetenschappelijke methode: alle wetenschappers worden gedreven door opportunisme en verzinsels. Hij stelt tegenover de zogenaamde strenge voorschriften van de wetenschappelijke methode de anarchistische methode. In de menselijke ontwikkeling is slechts 1 principe zichtbaar: ‘anything goes’. Als iedereen dan zijn eigen definitie van vooruitgang mag geven dan kan dat beter verrijking noemen. Een werkelijk humane samenleving moet ruimte maken voorr zoveel mogelijk ‘experiments of living’.

Against Method (1970), Science in Free Society (1978)

Michel Foucoult 1926-1984

Oorsponkelijk humanistische Franse existentialist. Verlaat deze stroming omdat hij van mening iis dat niet de mens maar de taal de bepalende factor is. Wij worden allemaal ingevoegd in de talige ‘orde van het vertoog’ dat ‘zich inschrijft op het lichaam’. Het heersende discours heeft de macht. Ontwikkelde een methode die hij ‘Genealogie’ of ‘Archeologie van het weten’ omschreef: een goed denker graaft in de verschillende vertogen die binnen een cultuur over elkaar schuiven en elkaar verdringen. Er is geen continuiteit in het denken en geen vooruitgang in het denken. Er is volgens hem een sterke relatie tussen kennis en macht: kennis is een vorm van machtsuitoefening.

Histoire de la Folie (1961), Les Mots et les Choses (1966), Surveiller et Punir (1975), Histoire de la Sexualite (1976-84).

Gottlob Frege 1848-1925

Wens om – zoals Leibniz – een zuivere taal te ontwikkelen waarin geen misverstanden mmogelijk zijn. Analyseren van de structuur van beweringen aan de hand van symbolische logica.

Beggriffsschrift (1879), Die Grundlagen der Arithmetik (1884), Uber Sinn und Bedeutung (artikel 1892), Grundgezetze der Arithmetik (2 delen 1893-1903).

Hans-Georg Gadamer 1900-2002

Hermeneutiek is de kunst van het intepreteren. Hij beschouwde dat als meer dan een wijsgerige techniek en verheven tot een universeel principe. Je kunt de wereld lezen als een tekst als je open staat voor de betekenissen daarin. Het verklaren van feiten is iets anders dan het begrijpen ervan. De westerse levenshouding is meer verklarend en minder begrijpend. Polemiek met Derrida die stelde dat in elke tekst afhankelijk van de context veel betekenissen mogelijk zijn en dat de echte betekenis dus mist. Tegenargument Gadamer: dan is elke discussie onmogelijk; als je de ander serieus neemt dan ga eje ervan uit dat die iets probeert te vertellen en dan probeer je dat te begrijpen.

Wahrheit und Methode: Grundzuge einer einer philosophischen Hermeneutik (1960), Kleine Schriften (1967-77), Vernunft im Zeitalter der Wissenschaft: Aufsatze (1976).

William Godwin 1756-1836

Elke regeringsvorm is een corrput systeem dat de burger onwetend en afhankelijk houdt. Door de verspreiding van kennis zal de macht van de regering afnemen. De politiek kan dan vervangen worden door moreel besef.

An Enquiry Concerning Political Justice (1793), The Enquirer (1798), Thoughts on man (1831).

Richard Mervyn Hare 1919-2002

Hij bestrijdt het Emotivisme dat stelt dat emoties ten grondslag liggen aan een moreel oordeel. Zoals de emotivisten vond hij ook dat een moreel oordeel geen werkelijke stand van zaken beschrijft maar eerder een ‘universeel gebod’ is. Prescriptivisme: een moreel oordel is bedoeld om mensen iets voor te schrijven. Een moreel oordeel is universeel imperatief: gestoeld op een universeel principe en dus geldig voor iedereen en niet alleen voor een individu.

The language of Morals (1952), freedom and reason (1963), Moral Thinking (1981).

Georg Wilhelm Friedrich Hegel 1770-1831

De geschiedenis is een dialectisch proces: een stelling these en haar negatie de antithese worden telkens in een hogere synthese verzoend. Die synthese is werr de volgende kandidaat om te worden verzoend met haar negatie.Uiteindelijk is alles opgeheven in en tegeelijk deel van ‘het Absolute’, de Geest’, de Rede’. Door na te denken over het denken zelf kan een mens Aufhebung bereikenn.

Die Phanomenologie des Geistes (1807), Wissenschaft der Logic (1812-16), Philosophie ds Rechts (1821), Enzyklopaedie der philosophischen Wissenschaften (1827).

Martin Heidegger 1889-1976

Wat is de zin van zijn en hoe krijgen we daar zicht op? De mens is het object van ijzn studie. Hij beschouwt de mens als dasein (erzijn, altijd al ergens zijn). De mens is in-de-wereld. Vanuit een ontologisch perspectief vertoont de wereld waarin de mens leeft betekenis en samenhang. De wereld is niet op te vatten als een totaliteit van alle dingen.Prereflexief gaat de mens met de ‘zijnden’ om; het verwrven van kennis van de omgeving is een secundaire modus van het in-de-wereld zijn. De zin of de betekenis van zijn is de tijd. De modificaties van de tijd (v, h, t) komen in het dasein terug als volgt: de mens is geworpen in een bepaalde omgeving, ontwerpt zijn eigen leven en die twee momenten komen samen in het heden, de articulatie.Gelassenheit: het zijn zal van zich doen spreken voorzover wij ons daarvoor openstellen. Dit is een kritiek opo de moderne gemechaniseerde en eendimensionale weereld die in hey teken staat van ‘zijnsvergetelheid’.

Sein und Zeit (1927), Was ist Metaphysik (1929), Holzwege (1950), Der Satz vom Grund (1957), Die Technik und die Kehre (1962).

Thomas Hobbes 1588-1679

Mechanisch en deterministisch wereldbeeld zoals Descartes. Beweging en lichaam staan daarin centraal. De staat is een kunstmatig lichaam dat bedoeld is om geweld tussen mensen te voorkomen. Geweld beheerste hun natuurtoestand: oorpronkelijk leefde demens in een toestand van anarchie waarin iedereen gewetenloos voor zichzelf opkwam (homo homini lupus). Men heeft de conclusie getrokken dat het beter is om zich gezamenlijk aan een hogere macht te onderwerpen: de staat. De staat dwingt beschaving af: ook nu de mens beschaafd is moet de staat dwang blijven uitoefenen de enige manier waarop wetten worden gerespecteerd is door strenge handhaving. Dit is de absolute staatsmacht, de Leviathan. Die macht gaat zover dat de staat ook de macht heeft over wetenschap en moraal.

De cive 91642), The elements of law, natural and political (1650), Leviathan orthe matter, form and power of a commonwealth eccelasiastical and civil (1651), De corpore (165), De homine (1658).

David Hume 1711-1776

Hume was een empirist: al onze kennis is op onze impressies terug te voeren. Hij maakt een onderscheid tussen impressies op grond van uiterljke waarneneming en impressies op grond van innerlijke waarneming. Uiterlijke waarneming zegt iets over de verschijningsvorm van een object. De innerlijke waarneming kan ietrs zeggen ove de ‘substantie’ ervan: datgene dat overblijft als je alle eigenschappen wegdenkt. ‘Substantie’ is een constructie van het innerlijk en het resultaat van de zichzelf waarnemende werkzaamheid van het verstand dat waarnemingen ordent op basis van gelijkheid en verscheidenheid, ruimtelijke of tijdelijke nabijheid. Het verstand legt ook causale verbanden. Hume had kritiek op het begrip causaliteit, omdat het net als substantie niet in een externe waarneming besloten kan liggen. Dit is een construct van de menselijke geest die als mens ook zeker nuttig is maar als wetenschapper niet staande kan worden gehouden.

A treatise of human nature (1739-40), An enquiry concerning the principles of morals (1751), Dialogues concerning natural religion (1779).

William James 1842-1910

Amerikaans pragmatisme: de waarde van gedachten en theorieeen is af te meten aan hun betekenis in het dagelijks leven. Een idee is ‘waar’ zolang het een nuttige rol heeft in ons leven. De mate waarin dit het geval is is een persoonlijke keuze voor een ieder. Disputen over de ziel, bewustzijn en de relatie tussen subject en object zijn ovebodig.

Principles of psychology (1890-92), The will to believe and other eassays (1897), The varieties of religious experience (1902), Pragmatism (1907), The menaing of truth (1909).

Immanuel Kant 1724-1804

Belangrijke verlichtingsdenker. In het werkje over het project van de verlichting ‘Was ist Aufklaring?’ stelt hij dat de mens zich moet bevrijden van de onmondigheid en moet durven denken. Goed denken betekent binnen de kritische grenzen van het redelijke blijft, waarbij kritisch betekent het scheiden van de zin en de onzin. Dit is het categorisch imperatief: van jezelf eisen dat al je handelingen steeds tot algemene wet kunnen worden verheven (wat niet wilt dat u geschiedt..). Het is niet zo dat d geest de dingen waaarheidgetrouw spiegelt: onze geest doet iets met die impressies: de verschillende impressies worden tot een coherente waarneming omgevormd. Dat gebeurt door het kenvermogen dat daarmee een specfiek stempel drukt op onze waarnemingen. Omdat tijd en ruimte in ons kenvermogen ingebakken zijn, kunnen we ons bijvoorbeeld geen voorstelling maken van dingen die zich buiten de tijd of buiten de ruimte zijn. Het kenvermogen structureert het het zintuigelijk materiaal met denkvormen zoals causaliteit: dat kunne we niet uit de natuur afleiden (Hume) maar zonder causaliteit kunnen we de natuur niet denken.

Allgemeine naturgeschichte und Theorie des Himmels (1755), Kritik der reinen Vernunft (1781), Kritik der praktischen Vernunft (1788), Kritik der urteilskraft (1790), Zum Ewigen Frieden (1795), Metaphysik der Sitten (1797).

Thomas Samuel Kuhn 1922-1996

Samen met Popper de grondlegger van de wetenschapsfilosofie. Popper beschrijft een evolutionair systeem waarin theorieen steeds door beter theorieen worden beconcurreerd en vervangen. Kuhn stelt dat wetenschap zich ontwikkelt met revoluties waarbij en radicaal nieuwe kijk op de werkelijkheid kan ontstaan: een verandering van paradigma (fundamentele kijk op de wereld op een bepaald moment). Deze tijdelijk overtuigeingen veranderen niet vaak en als dat wel gebeurt dan kan dat grote gevolgen hebben voor de wetenschappelijk kijk op de wereld. Oude en nieuwe paradigma’s zijn incommensurabel: ze kunnen niet in elkaar worden uitgelegd en bouwen dus ook niet op elkaar voort, een breuk met Popper.

Kuhn richt zijn kritiek in de eerste plaats op de door Popper veronderstelde gestage groei van wetenschappelijke kennis, door er twee soorten van wetenschappelijke bedrijvigheid tegenover te stellen: normale en revolutionaire wetenschap. Normale wetenschap gaat uit van een verzameling vooronderstellingen of paradigma’s die door een wetenschappelijke groep wordt gedeeld en binnen die groep niet (meer) ter discussie staat. Deze paradigma’s – wetten, modellen, methoden, schoolvoorbeelden – worden tijdens de opleiding aangeleerd en vormen het onproblematische kader waarbinnen wetenschappelijke vraagstukken snel kunnen worden opgelost, omdat tijdrovende discussies over de geldigheid van de paradigma’s achterwege kunnen blijven. Blijven er te veel vraagstukken onopgelost, dan raakt het paradigma in een crisis en komen er alternatieve paradigma’s boven tafel. Blijkt een alternatief paradigma succesvoller dan een bestaand, dan betekent dat het verval en de ondergang van een oude en de geboorte van een nieuwe wetenschappelijke school. Er vindt met andere woorden een wetenschappelijke revolutie plaats. De grote voorbeelden van zulke revoluties zijn de overgang van de aristotelische naar de newtoniaanse mechanica en van de newtoniaanse mechanica naar die van Einstein.

Er vinden dus steeds revolutionaire breuken plaats in de wetenschappelijke ontwikkeling. De schijn van continue groei wordt veroorzaakt doordat de hele geschiedenis van de wetenschap na elke revolutie in de leerboeken vanuit het nieuwe paradigma wordt herschreven.

Wat hier het meest van belang is, is de opvatting van Kuhn dat het ene compacte beeld van wetenschappelijk kennen zoals ons dat door Popper wordt voorgehouden, vervangen moet worden door een veel gefragmenteerder beeld van paradigmatisch verschillende soorten van wetenschap. Wordt de wetenschap in Poppers filosofie voorgesteld als een stevige, homogene appel, dan is Kuhns versie op te vatten als een sinaasappel, dat wil zeggen wat sappiger en opgebouwd uit verschillende, min of meer op zichzelf staande partjes.

Het model van Kuhn stelt dat:

1) een keuze tussen theorieën niet mogelijk is (zij nemen elkaars plaats in)

2) groei van kennis niet aangetoond is

3) regels niet noodzakelijk zijn voor groei van kennis (omdat niemand die regels uiteindelijk serieus neemt)

Dat is een flinke stap op weg van Poppers moderne naar Feyerabends postmoderne wetenschapsopvatting.

The copernican revolution, planetary astronomy in the development of the western thought (1957), the structure of scientific revolutions (1962), the essential tension: selected studies in scientific traditiona and change (1977), Black-body theory and the quantum discontinuity (1978).

Julien Offray de LaMetttrie 1709-1751

geen scheiding tussen lichaam en ziel want de ziel conform Descartes bestaat niet. Verklaarde menselijk gedrag in fysiologische mechanische termen. Materialist: er is geen ruimte voor vrije wil of morele verantwoordelijkheid. De ziel is een orgaan om indrukken mee te verwerken analoog aan andere organen. Als die niet goed werkt dan wordt een mens slecht. Slechtheid houdt geen verband met moraal maar met lichamelijk gesteldheid: dieven moeten niet worden gecastijd maar behandeld.

Histoire naturelle de l’ame (1745), l’homme machine (1747), l’homme plante (1748), systeme d’epicure (1750).

Gottfried Wilhelm Leibniz 1646-1716

Kernpunt van zijn metafysica is de monade: een eenheid die niet tot iets anders kan worden hereid en niet kan worden gedeeld. Een monade is een kracht die een ondeelbaar individu in beweging zet. Dit grijpt terug op aristoteliaanse ‘entelechie’, ingebouwde doelgerichtheid. Om de orde van de bewegingen van een monade te verklaren. De niveaus van een monade zijn: levenloos, bewust en zelfbewust. De mens als enige in staat om via de rede tot zelfkennis en kennis van god te komen. God is de hoogste monade heeft alle mogelijke werelden overzien en deze als beste geschapen, waarbij beste moet wordenn opgevat als grootst mogelijke vescheidenheid binnen de strengst mogelijke orde. Bij de schepping zijn alle monaden op elkaar afgestemd waardoor er harmonie bestaat. Drie soorten kwaad: metafysisch omdat alleen god pefect is, fysische tekostkomingen leiden tot verdriet en pijn en moreel kwaad: als vrije wezens kunnen we moedwillig kwaad handelen en daarmee zondigen. Dat is het echte kwaad.

Discours de metaphysique (1686), nouveaux essais sur l’entendement humain (1704), essais de theodicite sur la bonte de dieu, la liberte de l’homme etl’origine du mal (1710), La monadologie (1714).

John Locke 1632-1704

De eerste vertegenwoordiger van het Brits empirisme dat vaak tegenover het continentaal rationalisme wordt geplaatst. Belangriijk discussiepunt is de mogelijkheid van a priori kennis, dus kennis die voorafgaat aan ervaring. Volens Locke is het bewsutzijn een tabula rasa en niet zoals de rationalisten zeggen met aangeboren ideeen. Die zijn het gevolg van waarnemingen of van reflectie van de geest op innerlijke processen. Hoewel de geest geen aangeboren iddeeen heeft beschikt hij wel over het vermogen om te reflecteren. Ideeen kunnen dan enkelvoudig of samengesteld zijn. De waarneming van van de dingen in de buitenwereld betreft nooit de substantie maar haar eigenschappen. Als er eigenschappen zijn dan moet er iets zijn dat die eigenschappen draagt. Locke neemt praktisch de geestelijke substantie (ik) en God aan. Het ging hem om de toepassing van zijn leer; dogma of absolutisme dat een vrije en tolerante samenlveing in de weg staat hekelde hij. Scheiding van kerk en staat, afpalen rechten van de individu versus de staat: liberaal.

Epistola de tolerantia (1689), two treatises on government (1689), an essay concering human understanding (1690).

Jean-Francois Lyotard 1924-1998

Het moderne denken is gekenmerkt door dde grote verhalen: marxisme, vooruitgangsdenken, emancipatiedenken etc. Postmodernisme verlaat dit geloof: het einde van de grote verhalen. Een mens kan zijn leven niet langer in het licht stellen van een alomvattend einddoel. Dat leidt tot verwarring en versombering. Hij vond dat niet negatief omdat de grote verhalen onkritisch zijn, ze de kloof tussen realiteit en het idee miskennen. De ethiek moet juist de stelligheid afleggen, deze kloof erkennen en de complexiteit van de werkelijkheid omarmen. Om uitdrukking te kunnen geven aan die heterogene werkelijkheid en de grillige geschiedenis zoekt Lyotard aanwijzingen in de taal. In zinnen staan woorden achter elkaar in de tijd. De manier van reageren erop bepaalt welk ‘taalspel’ je speelt, een zogenaamd ‘genre’. Er bestaan geen regels die die genres in elkaar vertalen.

La condition postmoderne. Rapport sur le savoir (1979), Le diffrend (1983), L’enthousiasme; la critique kantienne de l’histoire (1986).

Herbert Marcuse 1898-1979

Kritiek van de Frankfurters (met Horkheimer en Adorno) op het naoorlogse kapitalisme: de westerse liberale democratieen worden gestuurd door en zijn doordrongen van consumentisme. De valse behoefte die hierdoor wordt opgewekt neemt haar aandacht weg haar eigenlijke situatie. Wetenschap en techniek die aan het proletariaat van het kapitalisme van marx de mogelijkheid gaven zich te te organiseren, zijn beheersinginstrumenten in de handen van het kapitaal geworden. Marcuse hekelt de seksuele basis voor de sociale en politieke onderdrukking in Amerika. Industralisatie heeft ervoor gezorgd dat de welvaart is toegenomen en een toenemende deels onzichtbare onderdrukking. Het irrationale productieapparaat dient geen bewuste doeleinden meer en beheerst daarom de mens. Aan deze ‘technologische rationaliteit’ wordt alles geslachtofferd. Verzet is kansloos omdat de massa zih daarvan afkeert en alleen de stem van technologische rationaliteit vind gehoor. Alles wordt 1 dimensionaal.

Eros and civilisation (1955), One-dimansional man (1964).

Thomas More 1478-1535

Marx avant la lettre.

Utopia (1516)

Arne Naess 1912-

Na 1970 actief in natuurbehoud en relatie tussen mens en natuur en ontwikkelt de filosofie van ‘deep ecology’. De natuur is niet iets dat onderworpen en getemd moett worde. Ze heeft een eigen waarde. Vanuit dit perspectief bepleit hij het behoud van ecologische en culturele diversiteitvan natuurlijke sysstemen.

Erkenntnis und wissenschaftliches Verhalten (1936), Scepticism (1968), The Shallow and the Deep, Long range ecology movement (1973).

Martha craven Nussbaum 1947-

Rationaliteit van emoties, waaronder angst en woede. Irrationaliteit van emoties zoals schaamte en gevoelens van wraak. Verzet tegen een ethiek die zuiver rationeel is.

The fragility of goodness (1986), Cultivating humanity (1997), Upheavals of thought (2001), Hiding from humanity (2004).

William van Ockham 1287-1347

Meende dat algemene begrippen zoals soorten (kat) en universalia (dier) alleen maar namen zijn en dus niet werkelijk bestaan. Realisten meenden dat het algemene het meest oorspronkelijk is en dat het bijzondere daar geheel in besloten ligt. In tegenstelling tot de realisten meenden de nominalisten waaronder Ockham dat alleen het concrete werkelijk is en dat het algemene daaruit is afgeleid. De regel van Ockham luidt dat nooit meer oorzaken voor iets moeten worden aangenmen dan dat strikt noodzakelijk is om de zaak te verklaren en dat we dus niets overbodigs in de theorie moeten opnemen (entia non sunt multiplicanda praeter necessitatem).

Opera Philosophica et theologica (1317-47), opera politica (1332-47).

Charles Sander Peirce 1839-1914

Aan de basis van het pragmatisme. In plaats van het wezen van dingen te benoemen keek hij vooral naar het effect van veronderstellingen en begrippen. Als een stelling geen effect teweeg brengt dan is de stellingname overbodig. Met name de onderzoekers van a priori (eeuwige) waarheden waren zijn doelwit. Nieuwe waarheidsopvatting: ‘Waar is datgene wat nuttig en van belang is’.

The fixation of belief (1877), How to make our ideas clear (1878).

Karl Raimund Popper 1902-1994

Gekkant tegen het logisch positivisme: in de eerste plaats bestaan er volgens Popper geen harde zintuiglijke waarnemingsfeiten. Waarnemingen krijgen pas betekenis binnen de context van een voorafgaande theorie en kunnen dus nooit de onbetwijfelbare ervaringsbasis vormen waarop onze wetenschappelijke kennis kan worden gefundeerd. Wetenschappelijke kennis is, met andere woorden, niet objectief buiten de mens gegeven, maar is mensenwerk.

In de tweede plaats, zei Popper, is de positivistische bezigheid een beperkt aantal waarnemingen tot algemeen geldige wetten te verheffen, strikt logisch gesproken niet mogelijk. Wetenschappelijke uitspraken zullen het stadium van vermoedens of hypothesen nooit achter zich kunnen laten. Het aantal werkelijke waarnemingen is altijd zeer klein ten opzichte van het totaal aantal mogelijke waarnemingen en iedere volgende waarneming kan met de vorige in tegenspraak zijn. Op grond van deze kritiek op het op inductie gestoelde verifieerbaarheidsbeginsel van de Wiener Kreis ontwerpt Popper een ander criterium waarmee wetenschappelijke van niet-wetenschappelijke kennis onderscheiden kan worden. Zijn falsifieerbaarheidscriterium (ontwikkeld in zijn boek Logik der Forschung uit 1934) stelt eerder eisen aan de vorm van wetenschappelijke theorieën dan dat ze de inhoud van hun relatie met de werkelijkheid definieert. Over de relatie van kennis en werkelijkheid, dus over de empirische basis van theorieën, valt volgens Popper weinig te zeggen.

Wetenschappelijke kennis is dus niet stevig verankerd in een empirisch fundament. Aan een wetenschappelijke theorie moet niet de eis worden gesteld dat ze bevestigd is, maar juist dat ze te weerleggen valt. Anders dan de leden van de Wiener Kreis gaat Popper er dus niet van uit dat de wetenschappelijkheid van een theorie groter wordt naarmate ze meer ‘waar’ is. Integendeel, over de waarheid van een theorie valt niets te zeggen. De onwaarheid van een theorie is daarentegen wel degelijk te bepalen. Voortdurende toetsing van theorieën en de onherroepelijke verwerping van theorieën die het laten afweten, waarborgt volgens Popper de groei van wetenschappelijke kennis, die weliswaar nooit ‘de werkelijkheid’ zal vatten, maar haar op deze wijze wel steeds dichter zal weten te benaderen. Popper is het dus wél met de logisch positivisten eens dat onze wetenschappelijke kennis in de loop van de tijd steeds verder aangroeit. Er bestaat wel degelijk een wetenschappelijke traditie, en hoe weinig we ook weten, we weten wel steeds meer.

Wat is waarheid en waar moeten de grenzen van de wetenschap worden getrokken? Uitspraken te toetsen op falsifieerbaarheid ofwel weerlegbaarheid om ze te kunnen beoordelen op hun waarheidsgehalte. De waarde van een wetenschappelijke bewering is afhankelijk van gevolgen bij gebleken waarheid of onwaarheid ervan. Een uitspraak bewijst zijn waarheid wanneer de hypothese, ondanks herhaaldelijke pogingen een tegenvoorbeeld te genereren, nog steeds niet is weerlegd. De objectiviteit van kennis bestaat volgens Popper uit deze toetsbaarheid.

Logik der forschung (1935), The open society and its enemies (1945), The poverty of historicism (1957), Objective Knowledge (1972).

Willard van Orman Quine 1908-2000

Epistemologisch Holisme: onze kennis is een netwerk waarin elkeuitspraak samenhangt met andere. Er is geen bootom-upkentheorie waarin een beperkt aantal axiomas al het andere onderstut. Ook centrale stellingen zijn beschikbaar voor kritiek. Het onderscheid tussen analytische uitspraken (altijd waar) en empriische uitspraken (niet noodzakelijk altijd waar). Maar wat is de waarde van de uitwisselbaarheid van zinnen die elkaars analytische equivalent zijn? Mensen achten ze inwisselbaar en dan is empirie in de synthese betrokken. Elke uitspraak commiteert zich ontologisch op wat er feitelijk bestaat: ‘to be is to be a cvalue of a variable.’

From a logical poinnt of view (1953), Word and object (1960), Pursuit of truth (1990).

Richard McKay Rorty 1931-

Pragmatist: de filosofie is niet langer de koningin van de wetenschappen. Waarom zouden we alles goed moeten grondvesten? Theorieen moeten worden beoordeeld op hun gebruikswaarde: wat is hun gebruikswaarde.

He linguistic turn (1967), Philisophy and the mirror of nature (1980), Consequences of pragmatism (1982), Contingency, Irony, Solidarity (1989), Achieving our Country (1998).

Bertrand Arthur William Russell 1872-1970

Wiskundige logica: logicisme stelt dat wiskunde grotendeels is te reduceren tot logica. Analyische filosofie: logische analyse van filosofisch taalgebruik met het oog op het voorkomen van schijnproblemen ontstaan door onduidelijk taalgebruik.

The principles of mathematics (1903), Principia Mathematica (1910-13), Problems of philosophy (1912), Analysis of mind (1921), An enquiry into meaning and truth (1940), A history of western philosophy (1945), Russell-Einstein manifesto (1955)

Jean-Paul Sartre 1905-1980

In zijn bestaan definieert een persoon zichzelf door zijn acties en keuzes. Dat definieert hem omdat hem bij zijn geboorte geen essentie is geschonken: ‘existentie gaat vooraf aan essentie’. De mens is zomaar in een zinloze wereld geworpen en moet zichzelf gaan ontwerpen. Niet #kiezen is geen optie. Je bent vrij om dat naar eigen inzicht te doen en de keuze is bepalend voor je eigen toekomst en die van de rest van de wereld. Ik en alleen ik moet aan mijn leven inhoud geven en doe ik dat niet dan ben ik mijn lven te kwader trouw. Andere zijn je daarbij tot last omdat ze altijd een andere visie op je hebben dan je zelf hebt: je wordt een object. Maaropas als je jezelf kunt zien door de ogen van de ander ken je je eigen identiteit en kun je je identiteit veranderen.

L’etre et le neant (1943), les chemins de la liberte (1945), l’existentialisme est un humanisme (1946), huis clos (1946), critique de la raison dialectique 91960).

Ferdinand de Saussure 1857-1913

Ontwikkelde een radicaal nieuw concept van taal: de betekenaar (het gebruikte teken) en de betekenis. D erelatie ertussen is toevallig en berust op conventies. Taal is volgens de Saussure een systeem van arbitraire tekens waarin de betekenissen van onze woorden slechts historische constructen zijn.

Memoires sur le syteme primitif des voyelles dans les langues indo-europeenes (1878), Cours de lingustique generale (1916).

Arthur Schopenhauer 1788-1860

Het leven draait om wil en voorstellingen. Iedereen kent zijn wil op een directe manier. Onze overige kennis is afhankelijk van de voorstellingen die we hebben van objecten. De wil is een last: een redeloze, nietsontziende, lage, blinde drift. De kunst is om deze wil te ontkomen.

Die welt als wille und vorstellung (1819), Die beide grundprobleme der Ethik (1841), Parerga und paralimpomena (1851).

Adam Smitth 1723-1790

Invisible hand. Grondlegger van de politieke economie.

The theory of the moral snetiments (1759), An inquiry into the nature and causes of the welath of nations (1776).

Baruch de Spinoza 1632-1677

Totale vrijheid is alleen te bereiken door een radicaal gebruik van de rede. God en de natuur zijn hetzelfde: kennis van god en van de natuur vallen dus samen. God is oneindig en de enige bestaande substantie of ‘zelfstandigheid’ en alles speekt zich dus in god af. Ook de mens is onderdeel van de natuur en onderworpen aan de wetmatigheden van de natuur. Het menselijk denken is net zo aan oorzaak en gevolg onderworpen als het menselijk lichaam. De menselijke geest ontdekt patronen in zijn dagelijkse ervaring en ontleent algemene waarheden aan zijn toevallige rvaringen. Zo leert hij stukje bij beetje zijn ervaring te intrpreteren vanuit het mindr toevallige standpunt van het gehel namelijk dat van god en ziet hij dat de ervaringen noodzakelijk zijn. Spinoza’s ‘adequate’ vorm van kennis stuurt het handelen in de richting van het gemeeschappelijk belang.

Renati Des Cartes principiae philosophiae (1663), Tractatus theologico politicus (1670), Ethica orde geometrico demonstrata (1677).

Charles Taylor 1931-

De sociale wetenschappen houden zich bezig met interpretatie en de fysica met wetmatigheden. Fysische methoden kunnen niet worden gebruikt voor de sociale wetenschappen omdat dat leidt to een beeld vaneen ongebonden en niet-gesitueerde mens.Kenmerkend voor de mens is dat hij zijn identiteit realiseert en ontwikkelt door een door een voortdurende herevaluatie vann wat ‘het goede’ is. Dit proces is vebonden met wat Taylor de ‘moral space’ noemt, namelijk de sociaal historische context waarbinnen het menselijk handelen zijn betekenis krijgt.Liberalisten stellen dat het individu vanuit zijn eigen opvattingen over het goede leven zijn identieit kan bepalen. Volgens Taylor zijn die opvattingen gefundeerd in gemeenschappelijke tradities en daar noodzakelijk mee verbonden. De identiteit van een individu wordt gerealiseerd en ontwikkeld I een gemeenschap in een sociale context. Dit is communitarisme. Taylor stelt wel (in tegenstalling tot andere comunitaristen) dat iedereen kritisch moet blijven over gemeenschappelijke opvattingen over het goede leven.

The explanation of behaviour (1967), Hegel (1975), Hegel and modern society (1977), Philosophical papers vol 1: human agency and language (1985), Phil Papers vol 2: Philosophy and he human sciences (1985) Sources of he Self (1989), The malaise of modernity (1991), multiculturalism and the politics of recognition (1992), Philiosophical Arguments (1995).

Alexis de Tocqueville 1805-1859

De geschiedenis beweegt zich naar meer vrijheid en gelijkheid voor allen. Democratie neemt toe: in Europa maakt de aristocratie plaats voor de burgerij. De schaduwzijde van de democratie is dat vrijheid kan leiden to individualisering en desinteresse. Hierdoor zou de burgrij zich passief gaan opstellen tegenover de politiek en zich stilzwijgend laten opnemen in een bureaucratische samenleving waarin alles voor hem geregeld wordt. Door inertie van de burger zou de regering wiorden gedwongen om over alles en iedereen te beslissen (soft despotism of tirannie van de meerderheid) en dit is dan de minst slechte van alle kwaden.

De la democratie en Amerique (1835), De la democratie en Amerique (18440), l’ancien regime et la revolution (1856).

Darwinian Philosophy

OUDEMANS PLANTAARDIG

[Th. C. W. Oudemans and N. G. J. Peeters, Plantaardig – Vegetatieve Filosofie, KNNV Uitgeverij, 2014]

Find below some original clippings from the above book on the philosophy of Darwinism in general and the perception of plants in ecosystems. Some of them were used in my English book on the concept of the firm.

Dat mensen de natuur beschouwen als beheersings- en als beheersgebied – is dat vreemd of zelfs maar vermijdbaar? Helemaal niet, want mensen zijn levende wezens, en er zijn geen levende wezens die zich niet vermenigvuldigen. Wat zich vermenigvuldigt zal moeten proberen zijn omgeving naar zijn hand te zetten, op gevaar van uitsterven af. Mensen wijken ook in dit opzicht niet af van andere levensvormen. Ieder levend wezen beschouwt zichzelf als subject in zijn eigen wereld.‘ [Oudemans e.a. 2014, p 15].

..de metafysiche indeling van de natuur: je hebt planten die groeien en verwelken, maar niet voelen of streven, je hebt dieren die wel voelen of streven, maar niet nadenken, en je hebt mensen die niet alleen groeien, voelen en streven, maar ook nog eens nadenken. Omdat planten zo laag op de semantische ladder staan zijn ze zielloos, en daarmee nauwelijks medeschepselen van mensen. .. Planten bewegen maar zelden, en als zij dat doen dan meestal onzichtbaar voor het oog. Dat neemt niet weg dat zij een even actieve als intelligente verhouding met hun omgeving hebben – een verhouding waarop vervolgens alle dieren en alle mensen parasiteren’ [Oudemans e.a. 2014 p 16]

Ieder dier, dus ook iedere mens parasiteert direct of indirect op planten. Ook dieren en mensen leven van opgeslagen zonlicht, maar dat kunnen zij alleen door op planten te teren, al is het indirect, door elkaar te consumeren. .. Ook zijn ‘zelfstandig’ denken parasiteert op het plantaardige. Dit omgeeft alles wat ik erover te zeggen denk te kunnen hebben. De semantiek waarbinnen ik mijzelf in mijn verhouding tot de levende natuur zie is zelf weer van natuurlijke oorsprong – al kan ik die natuur niet maar zo tegenover mij plaatsen en bespreken‘ [ Oudemans e.a. p 21].

Darwin ziet het leven als een oever waarop alles wat leeft met elkaar verstrengeld en in elkaar verstrikt is. Dit betekent – een conclusie die Darwin niet trekt – dat ook het menselijk leven en daarmee het menselijke denken op hun eigen manier verstrikt zijn in en verweven met dezelfde oever. De oever is niet te overzien. Als filosoof denk ik hierbij na, terwijl ik er toch binnenin blijf.‘ [Oudeman e.a. 2014 p 23].

Een plant is geen plant wanneer hij zich niet vemenigvuldigt. Wat zich vermenigvuldigt, dat bestaat als reeks. Een reeks bestaat als zich voortzettende opeenvolging van kopiëen en is dus nooit definitief af- of aanwezig. Stopt de voortzetting, dan is het organisme dood. Stopt de voortzetting van een soort dan is die uitgestorven. Waar iets bestaat als zich voortzettende reeks kopiëen, daar zullen uiteenlopende varianten ontstaan, en wel zo dat aard en omvang van de variatie zelf niet te voorspellen valt‘ [Oudemans e.a. 2014 p 30].

Leibnitz spreekt van de opeenvolging der dingen die verspreid zijn over het universum van de levende wezens. Ieder levend wezen maakt deel uit van een serie die niet beëindigd is, zowel in de richting van het verleden als in de richting van de toekomst, series interminata. Leibnitz onderkent dat reeksen niet immuun zijn voor variatie. Wat leeft, dat plant zich voort, maar wat zich voortplant heeft de tendens om mutaties te genereren. Hij spreekt van een tendentia interna ad mutationem. In het wereldbeeld van Newton en Descartes is er uiteindelijk één mogelijkheid, en die wordt al dan niet gerealiseerd, en dat is de mogelijkheid van het universum zoals dat er nu uitziet. Dat dit universum zo is ontstaan en niet anders, is causaal bepaald – het had niet anders af kunnen lopen. Bij Leibnitz komt een heel ander universum naar voren, namelijk een wereld waarin telkens uiteenlopende mogelijkheden tegelijkertijd gerealiseerd worden. Maar dat kan zo niet blijven: er zijn teveel mogelijkhjeden die op hetzelfde moement vragen om een realisatie. En omdat deze mogelijkheden zich allemaal vermenigvuldigen zullen er varianten moeten afvallen. Er ontstaat steeds weer strijd (conflictus) .. Je kunt nooit zeggen da de beste variant gewonnen heeft. Het is onmogelijk om in de wereld van levende kopieën te maken te krijgen met een echt toereikende grond. De toereikende grond zou zich moeten bevinden buiten de opeenvolging van kopieën. .. Wie deze God niet aanneemt, die zal moeten aanvaarden dat er in deze wereld uitsluitend en alleen sprake is van ontoereikende gronden. Wat er is had anders kunnen zijn. Of het had er niet kunnen zijn. Of de omstandigheden veranderen, waardoor datgene wat vroeger verloor het misschien nu opperbest had gedaan. [Oudemans 2014 pp. 31-2].

De vraag naar de species of identiteit is de vraag naar het wezen van iets, maar tegelijkertijd ook de vraag naar de benaming daarvan. Kan ik in mijn benaming de echte aard van het ding zelf raken of niet?‘ [Oudemans 2014 pp. 31-2]. Het zoeken naar en het benoemen van Aristoteliaanse essentie van dingen. Linneaus nam ook het bestaan van essentiële soorten aan. Afwijkingen in voorkomen waren alleen het gevolg van bijzondere natuurlijke omstandigheden.

Hobbes valt met de deur in huis: dat namen arbitrair zijn – dat kan zonder verdere vragen worden verondersteld. Namen hebben wel de pretentie universeeel te zijn, maar uiteindelijk is die universaliteit niets anders dan het samenbrengen van allerlei concrete op elkaar lijkende gevallen (bijvoorbeeld van een madeliefje) onder een verzonnen noemer. .. Locke beseft: de levende natuur is niet zomaar in vaste species in te delen, zij is eindeloos transformeerbaar. Mensen classificeren twee paarden als behorend tot dezelfde soort, en een paard en een zebra niet. Maar dat is niet meer dan een pragmatische beslissing die niet gedicteerd wordt door welke werkelijkheid dan ook‘ [Oudemans 2014 p. 37]. Die benadering wordt conventionalisme of nominalisme genoemd: essentialisme is niet van toepassing op de natuur. Niet de genus bepaalt de aard van de plant maar andersom.

Met Darwin is een nieuwe mogelijkheid binnengetreden in de betekeniswereld die mens en natuur verbindt, namelijk dat noch de natuurlijke soorten noch de benamingen ervoor scherp van elkaar te scheiden zijn, en dat ze toch qua indeling niet willekeurig zijn, omdat er sprake is van verwantschapsrelaties die succes laten zien in de strijd om het bestaan. De scheidingen tussen de soorten zijn er wel, maar ze zijn vaag en poreus, en ze liggen, dankzij de variabiliteit van het levende en de onvoorspelbare wijzigingen in de omgeving, niet vooor eeuwig vast. Beide bestaan als variatie en daaropvolgende selectie van de overlevers, zonder dat de selectie ooit leidt tot een definitief resultaat, want de vermenigvuldiging en dus de variatie gaan door zonder einde‘ [Oudemans 2014 p. 41]

Co-evolutie van bloeiende planten en insecten (Darwin en de Saporta).

Wat leeft, dat vermenigvuldigt zich. En het varieert. Maar al die varianten kunnen op de eindig bewoonbare aarde niet tegelijkertijd blijven bestaan. Sommige varianten oveerleven, andere sterven uit. Dat gaat niet zomaar: daar is sprake van een confrontatie met de omgeving, waardoor de ene variant geschikter blijkt dan de andere. Dat heeft betekenis voor de manier waarop dieren en planten begrepen moeten worden. Zij zijn niet, zoals in de mathesis universalis verondersteld wordt, substanties of krachten, die zich vervolgens in een bepaalde entourage bevinden, maar zij bestaan als verhouding tot hun omgeving. Er is niet een levend wezen dat vervolgens een betekenisvolle relatie aangaat met andere levende wezens en de rest van de natuur, maar die relaties zijn bepalend voor de aard ervan. Dat wordt in dit boek het monadische ervan genoemd: monaden bestaan als spiegel van hun omgeving. .. Om te beginnen vormt ieder levend wezen een eigen perspectief op de wereld. Maar dan kan het niet langer restloos opgenomen worden in de menselijke kennis en beheersing van de natuur. Het zal blijken dat het nog vreemder is: mensen denken planten te manipuleren, maar het omgekeerde gebeurt even goed. .. Wanneer planten en bomen bestaan als hun verhoudingen tot hun omgeving, dan hebben zij een heel eigen begrenzing: zij kunnen de buitenwereld deels toelaten en de deels buitensluiten. Zij worden getekend doordat zij zijn omgeven door membranen. .. Niet ik hecht deze betekenis aan deze boom, dat doet hij zelf in samenspraak met zijn omgeving‘ [Oudemans 2014 pp. 54-5].

..levende wezens niet begrepen kunnen worden in de semantiek van de zelfstandige substanties en de zelfstandige subjecten. Levende wezens vormen namelijk zelf perspectieven op de wereld die ze omringt. Een substantie is geen zelfstandig zijnde, maar een eigen perspectief op de wereld, dat tegelijkertijd een spiegel is van diezelfde wereld. Dat noemt Leibnitz een monade. Spiegeling hoeft daarbij geen afbeelding te zijn – het kan gaan om afgestemd zijn van het een op het ander, zoals het oor aan een kopje is afgestemd op de hand van de theedrinker en een boomblad is afgestemd op het zonlicht.’[Oudemans 2014 p. 57]

Levende wezens vormen reeksen die zich vermenigvuldigen en muteren. Maar in een eindig bewoonbare wereld kunnen zij niet allemaal tegelijk blijven bestaan. Omdat er sprake is van meerdere gevarieerde reeksen wordt er differentieel overleefd, afhankelijk van de omgeving. De ene reeks verminigvuldigt zich meer dan de andere. Dat is de zin van het monadische van de levende natuur. De omgeving heeft betekenis voor het overleven van de reeks. De ene reeks is ‘rationeler’ dan de andere, want beter aangepast aan een bepaalde omgeving. De eigenschappen van de omgeving waarop organismen zijn afgestemd raken in de loop van de tijd in deze organismen geïnternaliseerd. Dat gebeurt keer op keer in de onafzienbare rij organismen die elkaars nakomelingen zijn. Dat houdt in dat je een levend wezen nooit los kunt zien van zijn omgeving en evenmin van zijn voorouders in hun omgeving’ [Oudemans 2014 p. 57-8].

De monadische aard van gewassen blijkt uit de verhouding tussen bomen, grassen en mensen. Ieder gewas wordt geconfronteerd met het vraagstuk: hoe voorkom ik dat ik word opgegeten en dat ik overschaduwd raak door mijn concurrenten. .. Gras verspreidt zich bijzonder snel. Het zet in op groei en verspreiding, niet op permanentie, zoals bomen. Gras groeit telkens aan, uit een goed verborgen knoop (vlak boven deze knoop bevindt zich een deelvaardig weefsel – intercalair meristeem – van waaruit nieuwe stengelleden groeien) die niet gemakkelijk op te eten is. Het kan zich niet vermenigvuldigen zonder de grote hoefdieren die het opeten en verspreiden. De hoefdieren zijn op hun beurt zijn aangepast geraakt aan gras: van hun maag tot aan hun gebit zijn zij erdoor getekend. Gras en het merendeel van de hoefdieren zijn met elkaar verweven – niet los van elkaar te denken. Mensen behoren tot deze vergraste soorten (aangezien ze door mensen worden gebruikt en geconsumeerd DPB). [Oudemans 2014 p. 60]

De voorheen vaste identiteiten van levende wezens blijken poreus, veranderlijk en onoverzichtelijk te zijn. Bij planten is dit nog extremer dan bij dieren: de individualiteit daarvan is onzeker en volatiel‘ [Oudemans 2014 p. 62]

De dominante soorten raken geadapteerd aan uiteenlopende plaatsen in de economie van de natuur (note 235). Darwin’s inzicht is te danken aan de semantiek van de monade. Een levend wezen is alleen een levend wezen wanneer het zich in een omgeving bevindt, in een over en weer ermee. Varianten van planten overleven wanneer zij nieuwe omgevingen vinden, niches, die voor deze bewoonbaar zijn en voor de andere variant niet. Anders geformuleerd: de strijd om het bestaan vergt een strijdperk. Wanneer het strijdperk waarbinnen gestreden wordt muteert, muteert ook de strijd. Wie geschikt is vooor het ene strijdperk kan verliezen in het andere’ [Oudemans 2014 p. 68].

Overal waar leven is, daar bestaan half doorlatende grenzen, membranen, op alle niveaus. Van onderdelen van cellen via cellen als geheel, via onderdelen van organismen zoals bladeren naar organismen als geheel, van regenwouden naar de aarde als geheel, overal houden membranen het onderscheid in stand tussen de binnenzijde en de buitenkant, veelal van energetische aard… In Leibnitz’ wereld van varianten en toeval bleek later entropie een hoofdrol te spelen. Die houdt in: laat een gesloten systeem zijn gang gaan en de daarin bestaande verschillen in energie zullen worden opgeheven. De ordening van het systeem tendeert naar wanorde. Waarom? Omdat er veel meer wanordelijke dan ordelijke mogelijkheden voor het systeem bestaan. De statistische mogelijkheid dat een systeem wanordelijk wordt is enorm groot‘ [Oudemans 2014 p. 73]

Wanneer een blad helemaal open zou staan naar de buitenwereld, dan zou het vervloeien en opgaan in zijn omgeving. Wanneer een blad helemaal gesloten zou zijn, dan zou het direct het lot ondergaan, dat het nu enige tijd uit weet te stellen, namelijk dood zijn, overeenkomstig het beginsel van de entropie‘ [Oudemans 2014 p. 73].

De natuur is een strijd van mogelijkheden, die nu eenmaal niet allemaal verwerkelijkt kunnen worden. Dat houdt in dat de grond waarom iets er is en iets anders niet, niet beperkt kan worden tot werkoorzaken – de (dat DPB) dingen een verandering in beweging bewerkstelligen door tegen andere aan te stoten. Er is sprake van restricties die ervoor zorgen dat de ene mogelijkheid verwerkelijkt wordt en de andere niet. .. dat restricties niet alleen begrepen kunnen worden als beperkingen die mogelijkheden afknijpen. Zij sluiten mogelijkheden uit en juist daardoor worden nieuwe mogelijkheden vewezenlijkt. Iedere zet (op een schaakbord) begrenst het aantal mogelijke tegenzetten, en juist daardoor kunnen er prachtige en ongekende patronen op het schaakbord ontstaan.’ [Oudemans 2014 p. 77].

Het leven op aarde is niet in evenwicht. Voortdurend moet energie worden opgenomen uit de omgeving en weer worden afgestoten. Er moet een energetisch verschil gehandhaafd blijven tussen een levend wezen en zijn omgeving. En toch: levende wezens die naar hun aard ‘far-from-equilibrium’ zijn, zijn niettemin uiterst stabiel. Veel plantaardige en menselijke genen zijn letterlijk miljarden jaren oud. Terwijl de wind en de golven van entropie alles op aarde eroderen behoudt het leven zijn onevenwichtige stabiliteit over kosmische tijdsspannen.‘ [Oudemans 2014 p. 79].

De mechanische reductie lijkt in eerste instantie aan levende wezens nu juist hun leven te ontnemen. Een plant wordt tot machine gereduceerd en dat is een plant niet. .. Maar uiteindelijk is niet de objectieve werkelijkheid primair, maar. Zoals Leibnitz heeft laten zien, het over en weer tussen mij en de plant. .. Dat is het punt dat Heidegger naar voren heeft gebracht. Je kunt een boom wel begrijpen als machine, maarmee heb je nog geen zicht op de verhouding tussen het plantaardige en het menselijke. Wat een boom is en wat ik zelf ben, hoe het plantaardige mede bepalend is voor mijn eigen identiteit – dat alles betreft de manier waarop de een de ander tegemoet treedt. De aard van dit tegemoet treden is semantisch, ligt niet in de feiten en de wetmatigheden aan de objectzijde, maar in het over en weer, waarbinnen de feiten en wetmatigheden zich afspelen.‘ [Oudemans 2014 p. 87].

Kenmerkend voor de overgeleverde semantiek is dat levende wezens op de een of andere manier zelf handelen. Zij hebben het begin van hun beweging in zichzelf, zoals Aristoteles het uitdrukt. Maar dat is bij planten maar in beperkte mate het geval. Zij kunnen niet denken, zij kunnen niet waarnemenen dus nergens naar streven en zij kunnen niet van hun plaats komen, zegt Aristoteles. Het enige wat een plant kenmerkt is het soort beweging dat samenhangt met voeding, groei en ontbinding. .. Planten staan op een lage tree van ontwikkeling, die loopt van planten via strevende en voelende dieren tot aan de denkende mens. Deze semantiek beheerst het moderne Europese denken tot in de huidige tijd. .. Dankzij het Darwinisme is het aristotelisme zo vanzelfsprekend niet meer. Planten verkeren allerminst in de comateuze toestand die ze wordt toegedicht. De bewegingen van planten zijn dikwijls zo traag dat zij verborgen blijven voor de menselijke blik. Zij leven in een andere tijdsschaal.‘ [Oudemans 2014 pp. 88-9]. Er zijn legio voorbeelden bekend van de activiteiten van planten die erop zijn gericht invloed uit te oefenen op hun plantwardige of dierlijke omgeving [Oudemans 2014 pp. 89-100].

Een automaat is een machine die zichzelf in stand houdt en zichzelf vermenigvuldigt. Dat kunnen chemische machines, maar mechanische niet. Zo bezien hebben mensen nog nooit een automaat vervaardigd, terwijl alle levende wezens in deze zin automaten zijn. .. Mensenmachines hebben altijd mensen nodig om in stand te blijven en zich te vermenigvuldigen. Zij zijn niet echt autark, geen echte automaten, zoals Leibnitz verduidelijkt heeft.‘ [Oudemans 2014 p. 105].

Nature abhors self-fertilisation, nature abhors self-pollination’ [Wallace, Darwin in Oudemans 2014 p. 108]

..de wereld is niet causaal bepaald, maar is een strijd tussen zich vermenigvuldigende reeksen mutanten, waarbij telkens selectie plaatsvindt. Daar komt geen doel aan te pas, terwijl in de strijd om de vermenigvuldiging toch telkens datgene komt bovendrijven wat op dat moment functioneel is. Functioneel wil niets anders zeggen dan: onder bepaalde omstandigheden overleeft de ene variant talrijker dan de andere‘ [Oudemans 2014 pp. 109-10]

Dawkins heeft het duidelijk gemaakt. Genen manipuleren de wereld. Het is alsof zij een doel hebben, namelijk hun overleving te maximaliseren. Maar dat doen zij niet. Het is eenvoudig zo dat de varianten met de meeste overlevers overleven. Doelen en strevingen komen er niet aan te pas. Maar dat is voor mij als individu, als werktuig van het genoom, niet anders: individuen streven er niet bewust naar om wat dan ook te maximaliseren; zij gedragen zich alsof zij iets maximaliseren. ..

Mensen zien zich graag als wezens die doelbewust, doelgericht of doelmatig zijn. Dat is een uitvloeisel van de subject-objectgedachte. Als blijkt dat de wereld monadisch is, een over en weer van perspectieven en communicatie, dan is het beter om te spreken van aantrekkingskracht. Dat zegt iets over de verhouding tussen het ene wezen en het andere. Aantrekkingskracht heeft al gauw betekenis voor beide perspectieven: x oefent aantrekkingskracht uit op y (waarbij het er niet zoveel toe doet of x daar zelf ook weet van heeft). Dat kan in het voordeel van y zijn, maar ook van x. Wat mij een eigen doel toeschijnt, dat is de aantrekkingskracht van een aantrekkelijk wezen‘ [Oudemans 2014 p. 110].

De menselijke cultivering is naar haar aard erop gericht alles wat onzuiver is uit te bannen, teneinde zich te verzekeren van maximale beheersing tegen alle verwilderende invloeden. Mensen hebben harde, ondoordringbare scheidingen nodig, geen half doorlatende membranen. Dat blijkt op allerlei manieren, om te beginnen bij de taal die mensen bezigen: in het voorgaande werd duidelijk hoezeer Linnaeus gedreven werd door het verlangen naar zuivere en ondoordringbare categoriseringen.‘ [Oudemans 2014 p. 124].

Iedere keer dat een oude appelvariëteit wegvalt uit de cultivering is een pakket van genen – dat wil zeggen een pakket kwaliteiten van smaak, kleur en textuur, en van bestendigheid tegen parasieten – van de aarbodem verdwenen[M. Pollan, The Botany of Desire: A Plant’s Eye View of the World, 2001 p. 57 in Oudemans 2014 p. 130]

Wij speelden van onze kant onze rol. Wij vermenigvuldigden de bloemen buiten alle proportie. Wij verplaatsten hun zaden de planeet rond, wij schreven bnoeken om hun roem te verspreiden en hun geluk zeker te stellen. Voor de bloem was het hetzelfde oude liedje. Weer een grote evolutionairre deal met een willig, lichtgelovig dier[M. Pollan, The Botany of Desire: A Plant’s Eye View of the World, 2001 p. 119 in Oudemans 2014 p. 137]

Scrabbelen met alleen Q-s en X-en.

Geen herder en één kudde. Ieder wil hetzelfde, ieder is gelijk: wie anders voelt gaat vrijwillig het gekkenhuis in’. .. Geen mens die zich druk maakt over bureaucratisering, onderlinge afhankelijkheid, vernietiging van ‘privacy’, overlevering aan sociale media en vooral: overgeleverd zijn aan een almachtige, overal doordringende, alwetende staat, die vrijwel alles heeft opgeslokt wat voorheen als een menselijk bestaan heeft gegolden, zonder dat dit doordringt tot zijn burgers.[‘Also Sprach Zarathustra, p. 20 in Oudemans 2014 p. 142′, Oudemans 2014 p. 142]

Volgens Ten Bos is Bureaucratie (als een) Inktvis

This is a summary of Ten Bos’s book: ‘Bureacratie is een Inktvis’. The concept of a hyperobject is valuable and was extensively used in my book about the firm.

Characteristics of a bureaucracy are: 1) they have viscosity 2) they are not confined to some location 3) they exist in different time dimensions 4) they are only discernible in phases 5) they are interobjective.

1) viscosity people dealing with bureacracies know these ethical stances: a) groups not individuals are the source of true creativity b) to belong is not a wish but a moral law to which an individual must comply c) to become subject to rationality and science of the collective leads to individual and collective benefit. This ethik is omnipresent in bureaucracies: bureacratic memes.

This is the system by which the business firms are directed and controlled via rules, responsibilities for decisions and their procedures. It also involves the way the company objectives are set, the means of attaining them and the monitoring of them. The focus here is on the relation between the shareholders and the management. Institutions can be seen as bodies of rules forming the environment of markets and organizations where trade-offs take place. The nature of these environments can for instance be economic, political, social, cultural and institutional. The environment provides the conditions for the creation of both coordination mechanisms, for shaping them and providing selection mechanisms evolving both. The environment of organizations and markets consists of rules shaping human interaction safeguarding transactions from any risk explicit to them. In this sense ‘the way the game is played’ is shaped by the cultural institutional environment, which itself is a result of cultural evolution. It is suggested here that this myriad detailed routines, rules and attitudes evolve via human communication from person to person. And in that way that they are capable to generate a finite yet large variation of tentative and experimental beliefs and corresponding decisions and actions for people to exhibit in their professional and private lives alike.

The average counts: to not spend money is good but keeps the collective poor and to spend is sinful but benefits the collective. In that sense mediocracy is a good thing because it benefits the collective and excelling as an invidual damages the collective. As a consequence average performance is beneficial: too much or too big or too deep can never be a good thing. And this hangs in the balance: to not act so as to maximize some things (be a brilliant individual) yet to act so as to maximize other things (consume). Traditional theory of bureaucray states that the person and the position are separate entitities, but starting from the hyperobject theory it becomes clear that this is not possible and bureacracy exists in all of people’s daily activities. The appropriate term for this phenomena is ‘institutionalism’: what is ‘done’and ‘not done’ is institutional and to go against the grain is unprofessional or dilettante behavior. The prototypic and unreliable illustration: monkies associate cold water with some action and institutionalize their action. In this sense people become neophobic: people are very hesitant to engage in something new. Everyone is responsible and no one is accountable; good or bad are annihiliated because everything is proceduralized and everybody is responsible. ‘Nobody really washes her hands clean but everybody washes them together’ [Ten Bos 2015 p. 52].

2) Non locality

In everyday reality we manage to identify objects also using their locality in space and time. In addition we can use speed and acceleration to find out what they are. People are used to observe the world in a three dimensional grid where there a distance between ourselves and other things potentially as well as a difference in speed and acceleration. This is useful for our daily survival but it is also a construct whereby people become separated from their environment, while in fact they are an integrated part of it [Ten Bos 2015 pp 53-4]. Instead of distinguishing people as entities isolated from others and from their environment (the wish to communicate something is the cause of the communication and that the subject is separated from her communication), a better alternative is to understand that individuals are not discrete elements but entangled and very hard to distinguish. This is relevant for people dealing with bureaucracies (bureaucrats) also: the person, her position, the context have become so entangled that they are impossible to distinguish, cause and effect have become indistinguishable. As a conseqence people can act very differently in different locations and at different times: they are driven by outside forces alone and no internal forces. In bureaucratic reality cause and effect have become separate: the process becomes indeterminate. Everything touches everything else, everything is connected: it is an endless sequence of paper, conversation, decision and idea. In that sense bureaucracy is also the denial of singularity and while everbody affects eeverybody else, they are at a distance from each other.

3) Waves

When dealing with hyperobjects the observer has no control over the situation. Bureacracy is the water in which we swim; we don’t know much about it and what we are doing really is survive. This must be clear: this water is often a subtle and often a not quite so subtle form of violence. This violence leads us to the execution of a lot unnecessary work of the kind ‘bulllshit jobs’ [Graeber in Ten Bos 2015 p 59]. People dealing with bureaucracies often do not understand this environment or their positions in it because there is no perspective for their actions. Whatever is written does not conform to what is spoken or what is thought and in a bureaucracy nobody is authentic and everybody is to some extent stupid. This condition of stupidity is relevant in this era of late capitalism.

The pivot is shifting from a correct execution of the tasks belonging to the position, to the correct handling of the administrative tasks that come with the job. ‘This resembles the image of a large ferry boat that, nearly out of control, drives through a sea of drowning people’[ Peter Sloterdijk 1995 pp 13-4 in Ten Bos 2015 p 61]. The expression of emotion does not help, because it is not seen as solidarity and also because to express emotions something concrete to react to is needed. And so as a consequence people tend to feel small in relation to these processes within hyperobjects. The reactions of people between themselves (for example evaluations) are filtered and temporized in relation to their context and so people dealing with hyperobjects tend to be unsure of their performance.

4) Phases

A hyperobject cannot be seen in its entirety but only in parts or in time, as phases. To see it as one the observer would have to ascend to a higher dimension but our senses are limited to the dimensions of the reality they are in. Hyperobjects can appear to not exist for some time but then jump back into view at some point. Hyperobjects are permanently active and never stagnate. Nobody is in control of these processes including the bureaucrats themselves. There is no master mind steering these processes, the machine runs by itself, there is no higher authority. And conversely those considered to be in charge are not effectively in control or to a limited extent. Power is not centralized and can be dispersed in the organization or can even be located at the floor. Often the management has limited power and can not say much for risk of having to execute whatever they have expressed: they also feel observed and controlled. Though hyperobjects are at some times more present or noticeable than at other times, they have a tendency to force themselves to grab the attention. An important characteristic of bureaucracies is testing: once tested, certified or accredited – all procedures to conform to some standard – doors are opnede that were closed before.

This is an automatic absolvent for reflexivity: having entered some test it is no longer required to think about the essence of the thing put to the test, but about the essence of the test itself. People believe that to summarize some tested element by highlighting some issues and ignoring others implies to really understand and to know the element and to identify its causes in an attempt to improve the global performance of some system by tuning the micro-mechanisms. The thought behind this system is to represent reality in the simplest way and to then organize it. And yet, audits and tests are on many occasions no more than an opinion of the person designing the test. And as a consequence the acceptability of the test result depends on the trust that the testee has in the tester. And as a result the selection procedure of the most trustworthy testing agency and not discussion of the facts becomes the main issue for the test. The selection of the testing facility and the testing procedure itself have become the authority for trustworthiness.

The test now provides the certainty much sought after: having achieved the required score the testee feels she can rest assured. But two elements remain unsettling: has the test unveiled facts about the the truth or the testee: what is now known that wasn’t known before the test? And for how long does this last, namely when is the next test due? And so central to the hyperobject is a feeling of stupidity in the individual caused by the object, the bureaucracy in particular. Whenever testing, a bureaucracy looks in a literal way, not at her, but right through the individual in that sense causing a feeling of being stupid and clumsy in the given situation. The proffered support isn’t necessarily useful or helpful and this cannot be known in advance; it is known in advance however that the amount of offered support increases over time.

5) Interobjectivity

The essence is that people can use instruments and means and machines to leave marks that will last for weeks and months and years. These marks are symbols of power: whatever their concrete meaning is, they have the intention to state something and to hold someone to the statement. When the statement isn’t understood then the receiver of the mark pretends that she does understand. Kafka has understood that bureaucracy can be a comedy where everybody pretends to understand what everyone else says and does either or not intentionally. Bureaucracy cannot work if the people are dumb and cannot understand what the written texts say. People need to be enlightened to just the righ level so as to be capable to understand what the bureaucracy requires.

Bureaucracy requires the existence of the tools to register and administrate. The marks of power must remain in existence for some time and the ‘continuity of ink’ supports this. Importantly the objects that surround and pervade bureaucracies also shape the decisions and the communication. These are infrastructural conditions and restrictions that are made available or imposed by the objects that surround people populating bureaucracies.

Individuals exist between private person, her autonomous self, and the official person, her function in a hierarchy, servicing herself as well as the bureaucracy, namely the system that is her environment. ‘This perspective on people as employees sheds light on the concept of hyperobjects also. At this point we begin to understand how the hyperobject not only encompasses people but pervades them’ [Ten Bos 2015 p 112]. The confusion is how people’s wishes to live a normal life as an autonomous human being can be satisfied within the confines of the hyperobject, as often suggested by the human resources manager.

Time and the Other

Fabian, J. . Time and the Other – How Anthroplogy Makes its Object . Columbia University Press . New York . 1983 . ISBN 0-231-05590-0

Anthropology is the study of humans and their societies in the past and present. Its main subdivisions are social anthropology and cultural anthropology, which describes the workings of societies around the world, linguistic anthropology, which investigates the influence of language in social life, and biological or physical anthropology, which concerns long-term development of the human organism.

‘Time much like language or money, is a carrier of significance, a form through which we define the content of relations between the Self and the Other.. Time may give form to relations of power and inequality under the conditions of capitalist industrial production’ [Preface and Acknowledgements p. IX]. This means that time is an aspect that determines the interface between Self and the Other and so Time influences our view on the Other.

How does our use of the concept of time influence the construction of the object of study of antropology? The difficulty is in our understanding of we as the subject of anthropology, because in that role we as the subject of history can not be presupposed or left implicit nor should it be allowed to define the Other in an easy way. The contradiction is that the study of anthropoloy is conducted by involving with the object of research intensively, but based on the knowledge gained in that field research, to pronounce a discours construing the Other in terms of spatial and temporal distance.

Ch 1 Time and the Emerging Other

Knowledge is power and the claim to power of anthropology stems from its roots: the constituting of its own object of study, the Other (originally the object was the savage). All knowledge of the Other also has a historical, therefore a temporal element. In this sense accumulating knowledge involves a political act, namely from the systematic oppression to anarchic mutual recognition.

Universal time was established in the renaissance and its spread during the Enlightenment. The confusion exists because of the multitude of historical fact. Universal history is a device to distinguish different times by comparing the histories of individual countries with it: in this way it is what a general map is to particular maps [Bossuet 1845: 1, 2]. Universal can have the connotation of total (the entire worlds at all times) and general (applicable to many instances). Bossuet doesn’t address the first, but the second: how can history be presented in terms of generally valid principles? This can be done if in the ‘sequence of things, la suite des choses’ one can discern the ‘order of times’. This can be done if the order can be abbreviated to allow an instant view. the ‘epoch’ is proposed as a device, a resting place in time to consider everything that happened before that point and everything after it.

Travel gave a new impetus to anthropology and to time. Travel is now a vehicle for self-realization and the documents produced as a result form a new discours. The new traveler citiqued the existing philosophes: things seen and experienced while traveling are not as per the reality distorted by preconceived ideas.

The objective of the modern navigators is ‘to complete the history of man’ [La Pérouse in Moravia 1967:964 f in Fabian p. 8]. The meaning of complete can be to self-realisation and it can also be understood as to fill out (like a form).

The conceived authenticity of a past, found in ‘savage cultures’ is used to denounce an overly acculturated and urbanized present by presenting counterimages to the pristine wholeness of the authentic life. Time is at this point in the nineteenth century secularized.

From history to evolution (from secularization of time to evolutionary temporalizing): 1) time is immanent to the world, nature, the universe, 2) relations between parts of the world can be understood as as temporal relations. The theory of Darwinian evolution can only be accepted on the condition that the concept of time that is crucial to it, is adapted to the one in vigor. Only then can tis theory be applied to projects with the objective to show evolutionary laws in society. Darwin had based his concept of time on [Charles Lyell’s Principles of Geology 1830] and he cites in a section in the origin of Species named ‘On the lapse of Time’: ‘He who can read Sit Charles Lyell’s grand work on the Principles of Geology, which the future historian will recognize as having produced a revolution in the natural sciences, yet does not admit how incomprehensibly vast have been the past periods of time, may at once close this#volume’ [1861 third ediction:111]. Lyell suggests the theory of Uniformitarianism: ‘All former changes of the organic and physical creation are referable to one uniterrupted succession of physical events, governed by laws now in operation’ [quoted in Peel 1971:293n9 in Fabian p.13]. Geological time endowed them with plausibility and scope they did not have before; the biblical time wasn’t the right kind of time, because it relays significant events from a Christian perspective, but not a neutral time independent of the events it marks. And so it cannot be part of a Cartesian time-space system.

Darwin states that time has no inner necessity or meaning: ‘The mere lapse of time itself doesn’t do anything either for or against natural selection. I state this because it has been erroneously asserted that the element of time is assumed by me to play an all-important part in natural selection, as if all species were necessarily undergoing slow modification from some innate law’ [Darwin 1861:110 f]. Also Darwin hinted at the epistemological status o scientific discovery as a sort of developing language or code. The new naturalized time is a way to order the discontinuous and fragmentary record of natural history of the world. Evolutionists now ‘spatialized’ time: instead of viewing it as a sequence of events, it now becomes a tree of related events.

By claiming to make sense of society in terms of evolutionary stages, Christian Time was now replaced with scientific Time. ‘In fact little more had been done than to replace faith in salvation by faith in progress and industry..’ [Fabian 1981 p17]. In this way the epistemology of anthropology became intellectually linked to colonization and imperialism. All societies past, present and future were placed on a stream of Time. This train of thought implies that the Other is studied in terms of the primitive, Primitive principally being a temporal concept, a category, not an object of western thought.

The Use of Time

The use of Time in anthropologic field research is different from the theoretical discourse. The latter is used for different purposes:

  • Physical time used as a parameter to describe sociocultural process.
  • Mundane time used for grand-scale periodizing.
  • Typological time, used to measure the intervals between sociocultural events.
  • Intersubjective time: an emphasis on the action-interaction in human communication.

‘As soon as culture is no longer primarily conceived as a set of rules to be enacted by individual members of distinct groups, but as the specific way in which actors create, and produce beliefs, values, and other means of social life, it has to be recognized that Time is a constitutive dimension of social reality’ [Fabian 1981 P 24].

The naturalization of time defines temporal relations as exclusive and expansive: the pagan is marked for salvation, the savage is not yet ready for civilization. What makes the savage significant for evolutionary time is that he lives in another time. All knowledge acquired by the anthropologist is affected by the historically established relations (of power and domination) between his society and the society of the one he studies; and therefore it is political in nature. The risk however is distancing. Moreover: distancing is often seen as objective by practitioners. Intersubjective time would seem to preclude distancing as the practitioner and the object are coeval (of the same same age, duration or epoch, similar to synchronous, simultaneous, contemporary), namely share the same time. But for human communication to occur, coevalness has to be created: communication is about creating the same shared time. And so in human communication recognizing intersubjectivity, establishing objectivity is connected with the creating of distance between the participants or object and subject in research. This distancing is implied in the distinction between the sender, the message and the receiver. Even if the coding and decoding of the message is taken out then the TRANSFER of it implies a temporal distance between the sender and the receiver. Distancing devices produce a denial of coevalness: ‘By that I mean a persistent and systematic tendency to place the referent(s) of anthropology in a Time other than the present of the producer of the anthropological discourse‘ [Fabian 1981 p. 31].

Coevalness can be denied by Typological time and by Physical time, intersubjective time may pose the problem described above: if coevalness is a condition for communication and anthropology is based on ethnography and ethnography is a form of communication then the anthropologist is not free to choose coevalness for his interlocutors or not. Either he submits to the condition of coevalness and produces ethnographic knowledge or he doesn’t. If anachronism is a fact or statement that is outdated in a certain timeframe: it is a mistake or an accident. As a device, and not a mistake, this is named allochronism.

Coevalness is present in the field research and not in the theory development and writing. This latter activity is political in the sense that is rooted in the early existence of the science and so it is connected with colonialism. At this point hardly more than technological advance and economical exploitation seem the most available arguments to explain western superiority (p. 35).

Ch 3: Time and Writing about the Other

Even if (an observer) is in communication with other observers, he can only hear what they have seen in their absolute pasts, at times which are also his absolute past. So whether knowledge originates in the experience of a group of people or of a society, it must always be based on what is past and gone, at the moment when it is under consideration‘ [David Bohm in Fabian 1981 p. 71].

In previous chapters it was argued that the temporal conditions experienced in the field differ from those as expressed when writing or teaching. Empirical research can only be productive if the researcher and the researched share time. Usually the intepretation of the research occurs at a (temporal) distance, denying coevalness to the object of inquiry. This is a problem if both activities are part of the same discipline: this was not always so (travelogues versus armchair anthropology). This is also a problem if the practice of coevalness assumed a given in field research indeed contributes to the quality of the research and that it should not in fact be distanced also in an ideal world.

Now historical discourse introduces two new presuppositions in that it, first, replaces the concept of achronicity with that of temporality. At the same time it assumes that the signifier of the text which is in the present has a signified in the past. Then it reifies its signified semantically and takes it for a referent external to the discourse‘ [Greimas 1976:29 in Fabian pp. 77-8]. The referent being a society or a culture of reference, to reify means ‘render something concrete’.

The Ethnographic Present as a literary convention means to give account of other societies and cultures in the present tense. Historical accuracy, if the past tense in the accounts is used, is a matter of the ‘critique of the sources’. Also the comparison with the referents is not strict anymore, because that needs to be based on past data of the referent also. Another problem is that the present tense may freeze the picture of the state of affairs as it is found in a culture, which is a dynamical thing in nature and freezing it doesn’t take this into account. Another issue is with the autobiographical style of reporting of field research: this has a partly etymological and partly practical backdrop.

This is an important foundation for intersubjective knowledge ‘Somehow we must be able to share each other’s past in order to be knowingly in each other’s present‘ [Fabian 1981 p. 92]. In other words: reflexive (reflexion, revealing the researcher) experience is more important than reflective (reflection, neutralised for the researcher’s presence thus eliminating subjectivity) experience, because if the first were unavailable then the information about the object (the individual and his society) would be unidirectional in time and therefore tangential (irrelevant and beside the point) and therefore another symptom of the denial of coevalness. Additionally reflexion requires the researcher to ‘travel back and forth in time’ and so the researched can know the researcher as well as the converse. The same goes for the storing of data.

The method of observation can be a source of denial of coevalness also: the structure of the observations, the planning, the visual aspects deemed relevant, the representation of the visual data, the indications of speed included in the observations all presuppose a format stemming from one time and projecting itself and / or conditioning the observation. These are criteria brought to the observation process by the researcher and forms the basis for the production of knowledge. In additon to changing and emphasizing some criteria deemed relevant by the researcher and other criteria are left out at his choice.

Conclusions

Anthropology emerged and established itself as an allochronic discourse; it is a science of other men in another Time. It is a discourse whose referent has been removed from the present of the speaking/writing subject. This ‘petrified relation’ is a scandal. Anthropology’s Other is, ultimately, other people who are our contemporaries‘ [Fabian 1985 p. 143].

The western countries needed Time to accommodate the schemes of a one-way history: progress, development, modernity and their negative mirror images: stagnation, underdevelopment and tradition. The fiction is that interpersonal, intergroup, international the time is ‘public time’, there for the taking of anyone interested and as a consequence allotted by the powers that be. The notion of ‘public time’ provided a notion of simultaneity that is natural and independent of ideology and individual consciousness. And as a result coevalness is no longer required.

As soon as it was realized that fieldwork is a form of communicative interaction with an Other, one that must be carried out coevally, on the basis of shared intersubjective Time and intersocietal contemporaneity, a contradiction had to appear between research and writing, because anthropological writing had become suffused with the strategies and devices of an allochronic discourse‘ [Fabian 1985 p. 148].

they (the sign-theories of culture DPB) have a tendency to reinforce the basic premises of an allochronic discourse in that they consistently align the Here and Now of the signifier (the form, the structure, the meaning) with the Knower, and the There and Then of the signified (the content, the function or event, the symbol or icon) with the Known‘ [Fabian 1985 p. 151].

It is expressive of a political cosmology, that is, a kind of myth. Like other myths, allochronism has the tendency to establish a total grip on our (the anthropologists DPB) discourse. It must therefore be met by a ‘total’ response, which is not to say that the critical work be accomplished in one feel swoop‘ [Fabian 1985 p 152].

The ideal of coevalness must of course also guide the critique of the many forms in which coevalness is denied in anthropological discourse‘ [Fabian 1985 p. 152].

Evolutionism established anthropological discourse as allochronic, but was also an attempt to overcome a paralyzing disjunction between the science of nature and the science of man‘ [Fabian 1985 p 153].

That which is past enters the dialectics of the present, if it is granted coevalness’ [Fabian 1985 p. 153].

The absence of the Other from our Time has been his mode of presence in our discourse – as an object and victim‘ [Fabian 1985 p. 154].

Is not the theory of coevalness which is implied (but by no means fully developed) in these arguments a program for ultimate temporal absorption of the Other, just the kind of theory needed to make sense of present history as a ‘world system’, totally dominated by monopoly- and state-capitalism?’ [Fabian 1985 p. 154].

Are there, finally, criteria by which to distinguish denial of coevalness as a condition of domination from refusal of coevalness as an act of liberation?‘ [Fabian 1985 p. 154].

What are opposed, in conflict in fact, locked in antagonistic struggle, are not the same societies at different stages of development, but different societies facing each other at the same Time‘ [Fabian 1985 p 155].

Point of departure for a theory of coevalness: 1) recuperation of the idea of totality (‘.. we can make sense of another society only to the extent that we grasp it as a whole, an organism, a configuration, a system’ [Fabian 1985 p 156]. This is flawed because a) system rules are imposed from outside and above and because culture is now a system, a theory of praxis (the process by which a theory, lesson, or skill is enacted, practiced, embodied, or realized) not provided b) if a theory of praxis is not conceived then anthropology cannot be perceived as an activity that is part of what is studied.

.. the primitive assumption, the root metaphor of knowledge remains that of a difference, and a distance, between thing and image, reality and representation. Inevitably, this establishes and reinforces models of cognition stressing difference and distance between a beholder and an object‘ [Fabian 1985 p 160].

‘A first and fundamental assumption of a materialist theory of knowledge, .. , is to make consciousness, individual and collective, the starting point. Not disembodied consciousness, however, but ‘consciousness with a body’, inextricably bound up with language. A fundamental role for language must be postulated.. Rather, the only way to think of consciousness without separating it from the organism or banning it to some ‘forum internum’ is to insist on its sensuous nature; .. to tie consciousness as an activity to the production of meaningful sound. Inasmuch as the production of meaningful sound involves the transforming, shaping of matter, it may still be possible to distinguish form and content, but the relationship between the two will then constitutive of consciousness. Only in a secondary, derived sense (one in which the conscious organism is presupposed rather than accounted for) can that relationship be called representational (significative, symbolic), or informative in the sense of being a tool or carrier of information’ [Fabian 1985 p 161].

it is wrong to think of the human use of language as characteristically informative, in fact or in intention. Human language can be used to inform or to mislead, to clarify one’s own thoughts or ot display one’s cleverness, or simply for play. If I speak with no concern for modifying your behavior or thoughts, I am not using language any less than if I say exactly the same things with such intention. If we hope to understand human language and the psychological capacities on which it rests, we must first ask what it is, not how or for what purpose it is used‘ [Chomsky 1972 p 70 in Fabian p 162]. Chomsky, N. . Language and Mind – Enlarged Edition . New York: Harcourt Brace Jovanovic . 1972

‘Man does not ‘need’ language; man, in the dialectical, transitive understanding of ‘to be’, is language (much like he does not need food, shelter, and so on, but is his food and house). Consciousness, realized by the (producing) meaningful sound, is self-conscious. The Self, however, is constituted fully as a speaking and hearing Self. Awareness, if we may thus designate the first stirrings of knowledge beyond the registering of tactile impressions, is fundamentally based on hearing meaningful sounds produced by Self and Others. .. Not solitary perception but social communication is the starting point for a materialist anthropology, provided that we keep in mind that man does not ‘need’ language as a means of communication, or by extension, society as a means of survival, Man is communication and survival. What saves these assumptions from evaporating in the clouds of speculative metaphysics is, I repeat, a dialectical understanding of the verb ‘to be’ in these propositions. Language is not predicated on man (nor is the ‘human mind’ or ‘culture’). Language produces man as man produces language. Production is the pivotal concept of materialist anthropology‘ [Fabian 1985 p162].

The element of thought itself – the element of thought’s living expression-language-is of a sensuous nature. The social reality of nature, and human natural science, or the natural science about man, are identical terms‘ [Marx 1953:245 f, translation from The Economic and Philosophic Manuscripts of 1844 1964:143 in Fabian 1985 p 163]. [Marx, K. . Die Frühschriften . Siegfried Landshut, ed Stuttgart: A. Kröner – 1964. The Economic and Philosophic Manuscripts of 1844 . Dirk Struik . ed. New York : International] en [Marx, K. and Engels, F. . Marx and Engels: Basic Writings on Politics and Philosophy . Feuer, L. S. . ed. Garden City. New York: Doubleday]

‘Concepts are products of sensuous interaction; they themselves are of a sensuous nature inasmuch as their formation and use is inextricably bound up with language… it is the sensuous nature .. that makes language an eminently temporary phenomenon. Its materiality is based on articulation, on frequencies, pitch, tempo, all of which are realized in the dimension of time… The temporality of speaking .. implies cotemporality of producer and product, speaker and listener, Self and Other’ [Fabian 1985 p. 163-4].

Mikhailovsky and Levic: Entropy, Information and Complexity or Which Aims the Arrow of Time?

This below is my summery of a somewhat quirky article by George E. Mikhailovsky and Alexander P. Levic on MDPI. It suggests a mathematical model for the variation of complexity, using conditional local maximum entropy for (hierarchical) interrelated objects or elements in systems. I am not capable to verify whether this model makes sense mathematically. However I find the logic of it appealing because it brings a relation between entropy, information and complexity. I need this to be able to assess the complexity of my systems, i.e. businesses. Also it is based on / akin to ‘proven technology’ (i.e. existing models for these concepts in a mathematical grid) and it is seems to be more than a wild guess. Additionally it implicates relations between hierarchical levels and objects of a system, using a resources view. Lastly, and connecteed to this last issue, it addresses this ever-intriguing matter of irreversibility and the concept of time on different scales, and the mutual relation to time at a macroscopic level, i.e. how we experience it here and now.

This quote below from the last paragraph is a clue of why I find it important: “The increase of complexity, according to the general law of complification, leads to the achievement of a local maximum in the evolutionary landscape. This gets a system into a dead end where the material for further evolution is exhausted. Almost everybody is familiar with this, watching how excessive complexity (bureaucratization) of a business or public organization leads to the situation when it begins to serve itself and loses all potential for further development. The result can be either a bankruptcy due to a general economic crisis (external catastrophe) or, for example, self-destruction or decay into several businesses or organizations as a result of the loss of effective governance and, ultimately, competitiveness (internal catastrophe). However, dumping a system with such a local maximum, the catastrophe gives it the opportunity to continue the complification process and potentially achieve a higher peak.”

According to the second law entropy increases in isolated systems (Carnot, Clausius). Entropy is the first physical quantity that varies in time asymmetrically. The H-theorem of Ludwig Boltzmann shows how the irreversibility of entropy increase is derived from the reversibility of microscopic processes obeying Newtonian mechanics. He deduced the formula to:

 (1) S = KblnW

S is entropy

Kb is the Boltzmann constant equal to 1.38×10 23 J/K

W is the number of microstates related to a given macrostate

This equation relates to values at different levels or scales in a system hierarchy, resulting in a irreversible parameter as a result.

In 1948, Shannon and Weaver (The Mathematical Theory of Communication) suggested a formula for informational entropy:

(2) H = −KΣpilog pi

K is an arbitrary positive constant

pi the probability of possible events

If we define the events as microstates, consider them equally probable and choose the nondimensional Boltzmann constant, the Shannon Equation (2) becomes the Boltzmann Equation (1). The Shannon equation is a generalisation of the Boltzmann equation with different probabilities for letters making up a message (different microstates leading to a macrostate of a system). Shannon says (p 50): “Quantities of the form H = −KΣpilog pi (the constant K merely amounts to a choice of a unit of measure) play a central role in information theory as measures of information, choice and uncertainty. The form of H will be recognized as that of entropy as defined in certain formulations of statistical mechanics, where pi is the probability of a system being in cell i of its phase space.”. Note that no reference is quoted to a difference between information and information entropy. Maximum entropy exists when probabilities in all locations, pi, are equal and the information of the system (message) is in maximum disorder. Relative entropy is the ratio of H to maximum entropy.

The meaning of these values has proven difficult, because the concept of entropy is generally seen as something negative, whereas the concept of information is seen as positive. This is an example by Mikhailovsky and Levic: “A crowd of thousands of American spectators at an international hockey match chants during the game “U-S-A! U-S-A!” We have an extremely ordered, extremely degenerated state with minimal entropy and information. Then, as soon as the period of the hockey game is over, everybody is starting to talk to each other during a break, and a clear slogan is replaced by a muffled roar, in which the “macroscopic” observer finds no meaning. However, for the “microscopic” observer who walks between seats around the arena, each separate conversation makes a lot of sense. If one writes down all of them, it would be a long series of volumes instead of three syllables endlessly repeated during the previous 20 minutes. As a result, chaos replaced order, the system degraded and its entropy sharply increased for the “macro-observer”, but for the “micro-observer” (and for the system itself in its entirety), information fantastically increased, and the system passed from an extremely degraded, simple, ordered and poor information state into a much more chaotic, complex, rich and informative one.” In summary: the level of orde depends on the observed level of hierarchy. Additionally, the value attributed to order has changed in time and so may have changed the qualification ‘bad’ and ‘good’ used for entropy and information respectively.

A third concept connected to order and chaos is complexity. The definition of algorithmic complexity K(x) of the final object x is the length of the shortest computer program that prints a full, but not excessive (i.e. minimal), binary description of x and then halts. The equation for Kolmogorov complexity is:

(3) K(x) = lpr + Min(lx)

D is a set of all possible descriptions dx in range x

L is the set of equipotent lengths lx of the descriptions dx in D

lpr is the binary length of the printing algorithm mentioned above

In case x is not binary, but some other description using n symbols, then:

(4) K(x) = lpr + Min((1/n)Σpi2log(pi))

Mikhailovsky and Levic conclude that, although Equation (4) for complexity is not

completely equivalent to Equations (1) and (2), it can be regarded as their generalization in a broader sense.

Now we define an abstract representation of the system as a category that combines a class of objects and a class of morphisms. Objects of the category explicate (nl: expliciteren) the system’s states and morphisms define admissible transitions from one state to another. Categories with the same objects, but differing morphisms are different and describe different systems. For example, a system with transformations as arbitrary conformities differs from a system where the same set of objects transforms only one-to-one. Processes taking place in the first system are richer than in the latter because the first allows transitions between states of a variable number of elements, while the second requires the same number of elements in different states.

Let us take a system described by category S and the system states X and A, identical to objects X and A from S. Invariant I {X in S} (A) is a number of morphisms from X to A in the category S preserving the structure of objects. In the language of systems theory, invariant I is a number of transformations of the state X into the state A, preserving the structure of the system. We interpret the structure of the system as its “macrostate”. Transformations of the state X into the state A will be interpreted as ways of obtaining the state A from state X, or as “microstates”. Then, the invariant of a state is the number of microstates preserving the macrostate of the system, which is consistent with the Boltzmann definition of entropy in Equation (1). More strictly: we determine generalized entropy of the state A of system S (relating to the state X of the same system) as a value:

(5) Hx (A) = ln( I{X in Q}(A) / I{X in Q}(A) )

I{X in Q}(A) is the number of morphisms from set X into set A in the category of structured sets Q, and I{X in Q}(A) is the number of morphisms from set X into set A in the category of structureless sets Q with the same cardinality (number of dimensions) as in category Q, but with an “erased structure”. In particular cases, generalized entropy has the usual “Boltzmann” or, if you like, “Shannon” look (example given). This represents a ratio of the number of transformations preserving the structure by the total number Q of transformations that can be interpreted as the probability of the formation of the state with a given structure. Statistical entropy (1), information (2) and algorithmic complexity (4) are only a few possible interpretations of Equation (5). It is important to emphasize that the formula for the generalized entropy is introduced with no statistic or probabilistic assumptions and is valid for any large or small amounts of elements of the system.

The amount of “consumed” (plus “lost”) resources determines “reading” of the so-called “metabolic clock” of the system. Construction of this metabolic clock implies the ability to count the number of elements replaced in the system. Therefore, a non-trivial application of the metabolic approach requires the ability to compare one structured set to another. This ability comes from a functorial method comparison of structures that offers system invariants as generalization of the concept “number of elements” for structureless sets. Note that the system that consumes several resources exists in several metabolic times. The entropy of the system is an “averager” of metabolic times, and entropy increases monotonically with the flow of each of metabolic time, i.e., entropy and metabolic times of a system are linked uniquely, monotonously and can be calculated one through the other. This relationship is given by:

(7)

Here, H is structural entropy, L ≡ {L1 , L2 , . ., Lm} the set of metabolic times (resources) of system and Lagrange multipliers of the variational problem on the conditional maximum of structural entropy, restricted by flows of metabolic times. For the structure of sets with partitions where morphisms are preserving the partition mapping (or their dual compliances), the variational problem has the form:

(8)

It was proven that ≥ 0, i.e., structural entropy monotonously increases (or at least does not decrease) in the metabolic time of the system or entropy “production” does not decrease along a system’s trajectory in its state space (the theorem is analogous to the Boltzmann H-theorem for physical time). Such a relationship between generalized entropy and resourcescan be considered as a heuristic explanation of the origin of the logarithm in the dependence of entropy on the number of transformations: with logarithms the relationship between entropy and metabolic times becoming a power, not exponential, which in turn simplifies the formulas, which involve both parameterizations of time. Therefore, if the system metabolic time is, generally speaking, a multi-component magnitude and level-specific (relating to hierarchical levels of the system), then entropy time “averaging” metabolic times of the levels parameterizes system dynamics and returns the notion of the time to its usual universality.

The class of objects that explicates a system of categories can be presented as a system’s state space. An alternative to the postulation of the equations of motion in theoretical physics, biology, economy and other sciences is the postulation of extremal principles that generate variability laws of the systems studied. What needs to be extreme in a system? The category-functorial description gives a “natural” answer to this question, because category theory has a systematical method to compare system states. The possibility to compare the states by the strength of their structure allows one to offer an extremal principle for systems’ variation: from a given state, the system goes into a state having the strongest structure. According to the method, this function is the number of transformations admissible by structure of the system. However, a more usual formulation of the extremal principle can be obtained if we consider the monotonic function of the specific amount of admissible transformations that we defined as the generalized entropy of the state; namely given that the state of the system goes into a state for which the generalized entropy is maximal within the limits set by available resources. A generalized category-theoretic entropy allows not guessing and not postulating the objective functions, but strictly calculating them from the number of morphisms (transformations) allowed by the system structure.

Let us illustrate this with an example. Consider a very simple system consisting of a discrete space of 8 × 8 (like a chess board without dividing the fields on the black and white) and eight identical objects distributed arbitrary on these 64 elements of the space (cells). These objects can move freely from cell to cell, realizing two degrees of freedom each. The number of degrees of freedom of the system is twice as much as the number of objects due to the two-dimensionality of our space. We will consider the particular distribution of eight objects on 64 elements of our space (cells) as a system state that is equivalent in this case to a “microstate”. Thus, the number of possible states equals the number of combinations of eight objects from 64 ones: W8 = 64!/(64−8)!/8! = 4,426,165,368 .

Consider now more specific states when seven objects have arbitrary positions, while the position of the eighth one is completely determined by the positions of one, a few or all of the others. In this case, the number of degrees of freedom will reduce from 16 (eight by two) to 14 (seven by two), and the number of admissible states will decrease up to the number of combinations by seven objects, seven from 64 ones: W7 = 64!/(64−7)!/7! = 621,216,192

Let us name a set of these states a “macrostate”. Notice that the number of combinations of k elements from n calculated by the formula

(9) n! / (k! * (n-k)!)

is the cumulative number of “microstates” for “macrostates” with 16, 14, 12, and so on, degrees of freedom. Therefore, to reveal the number of “microstates” related exclusively to a given “macrostate”, we have to subtract W7 from W8 , W6 from W7, etc. These figures make quite clear that our simple model system being left to itself will inevitably move into a “macrostate” with more degrees of freedom and a larger number of admissible states, i.e., “microstates”. Two obvious conclusions immediately follow from these considerations:

• It is far more probable to find a system in a complex state than in a simple one.

• If a system came to a simple state, the probability that the next state will be simpler is immeasurably less than the probability that the next state will be more complicated.

This defines a practically irreversible increase of entropy, information and complexity, leading in turn to the irreversibility of time. For space 16 × 16, we could speak about practical irreversibility only, when reversibility is possible, although very improbable, but for real molecular systems where the number of cells is commensurate with the Avogadro’s number (6.02 × 1023), irreversibility becomes practically absolute. This absolute irreversibility leads to the absoluteness of the entropy extremal principle, which, as shown above, can be interpreted in an information or a complexity sense. This extremal principle implies a monotonic increase of state entropy along the trajectory of the system variation (sequence of its states). Thus, the entropy values parametrize the system changes. In other words, the system’s entropy time does appear. The interval of entropy time (i.e., the increment of entropy) is the logarithm of the value that shows how many times the number of non-equivalent transformations admissible by the structure of the system have changed.

Injective transformations ordering the structure are unambiguous nesting. In other words, the evolution of systems, according to the extremal principle, flows from sub-objects to objects: in the real world, where the system is limited by the resources, a formalism corresponding to the extremal principle is a variation problem on the conditional, rather than global, extremum of the objective function. This type of evolution could be named conservative or causal: the achieved states are not lost (the sub-object “is saved” in the object like some mutations of Archean prokaryotes are saved in our genomes), and the new states occur not in a vacuum, but from their “weaker” (in the sense of ordering by the strength of structure) predecessors.

Therefore, the irreversible flow of entropy time determines the “arrow of time” as a monotonic increase of entropy, information, complexity and freedom as the number of its realized degrees up to the extremum (maximum) defined by resources in the broadest sense and especially by the size of the system. On the other hand, available system resources that define a sequence of states could be considered as resource time that, together with entropy time, explicates the system’s variability as its internal system time.

We formulated and proved a far more general extremal principle applicable to any dynamic system (i.e., described by categories with morphisms), including isolated, closed, opened, material, informational, semantic, etc., ones (rare exceptions are static systems without morphisms, hence without dynamics described exceptionally by sets, for example a perfect crystal in a vacuum, a memory chip with a database backup copy or any system at a temperature of absolute zero). The extremum of this general principle is maximum, too, while the extremal function can be regarded as either generalized entropy, or generalized information, or algorithmic complexity. Therefore, before the formulation of the law related to our general extremal principle, it is necessary to determine the extremal function itself.

In summary, our generalized extremal principle is the following: the algorithmic complexity of the dynamical system, either being conservative or dissipative, described by categories with morphisms, monotonically and irreversibly increases, tending to a maximum determined by external conditions. Accordingly, the new law, which is a natural generalization of the second law of thermodynamics for any dynamic system described by categories, can be called the general law of complification:

Any natural process in a dynamic system leads to an irreversible and inevitable increase in its algorithmic complexity, together with an increase in its generalized entropy and information.

Three differences between this new law and the existing laws of nature are:

1) It is asymmetric with respect to time;

2) It is statistical: chances are larger that a system becomes more complex than that it will simplify over time. These chances for the increase of complexity grow with the increase of the size of the system, i.e. the number of elements (objects) in it;

The vast majority of forces considered by physics and other scientific disciplines could be determined as horizontal or lateral ones in a hierarchical sense. They act inside a particular level of hierarchy: for instance, quantum mechanics at the micro-level, Newton’s laws at the macro-level and relativity theory at the mega-level. The only obvious exception is thermodynamic forces when the movement of molecules at the micro-level (or at the meso-level if we consider the quantum mechanical one as the micro-level) determines the values of such thermodynamic parameters as temperature, entropy, enthalpy, heat capacity, etc., at the macro-level of the hierarchy. One could name these forces bottom-up hierarchical forces. This results in the third difference:

3) Its close connection with hierarchical rather than lateral forces.

The time scale at different levels of the hierarchy in the real world varies by orders of magnitude, the structure of time moments (the structure of the present) on the upper level leads to the irreversibility on a lower level. On the other hand, the reversibility at the lower level, in conditions of low complexity, leads to irreversibility on the top one (Boltzmann’s H-theorem). In both cases, one of the consequences of the irreversible complification is the emergence of Eddington’s arrow of time. Thus:

4) the general law of complification, leading to an increase in diversity and, therefore, accumulation of material for selection, plays the role of the engine of evolution; while selection of “viable” stable variants from all of this diversity is a kind of driver of evolution that determines its specific direction. The role of a “breeder” of this selection plays other, usually less general, laws of nature, which remain unchanged.

External catastrophes include the unexpected and powerful impacts of free energy, to which the system is not adapted. The free energy as an information killer drastically simplifies the system and throws it back in its development. However, the complexity and information already accumulated by the system are not destroyed completely, as a rule, and the system according to conservative or casual evolution, continues developing, not from scratch, but from some already achieved level.

Internal catastrophes are caused by ineffective links within the system, when complexity becomes excessive for a given level of evolution and leads to duplication, triplication, and so on, of relations, circuiting them into loops, nesting loop ones into others and, as a result, to the collapse of the system due to loss of coordination between the elements.

The Meme Machine

The Meme Machine – Susan Blackmore

 

My introduction

To cut a long story short – don’t worry I will summarize in some detail the train of thought hereafter anyway, because I am not going to get away with it just like that and you will miss nothing – Blackmore suggests to annihilate Dawkins’ hope for the human condition and Dennetts expectations (however small) about it: we cannot rebel against the tyranny of the selfish replicators (the gene), because there is no one to rebel. And it is exactly this realisation, according to Blackmore, that allows us to live a truly free life. Wow.

We humans in her view are susceptible to the thought that we are capable of thinking, hoping and expecting, but in fact she suggests we are ‘meme machines’. These thoughts above are memes themselves. Humans are biological computing machines, fit to run any utterable program. The programs fight or negotiate between themselves, in our heads, for attention. They may or may not be favourable to us humans, their hosts, where they live.

It is them, the memes, that live in our minds. And it is them that make us think we think, memorize, expect, and hope. We believe we do these things. But we don’t, not really. In other words: humans are susceptible to invasions of ideas and concepts that shape their thought and, henceforth, their actions. These memes have their own intention to survive. Like all natural processes they are ‘stupid’ processes, they don’t have a ‘will’, they just survive.

Let’s call large complexes of integrated and complex sets of memes, their subsets and their interrelations memeplexes. Then culture is an ‘ensemble’ of memeplexes, say related to work ethics, cooking habits, dinner etiquette, religions and their interrelations, economic behaviour, traffic regulations and customs and so on and so forth. In this world, humans are the computing machine that culture runs on. Cultural elements called memes are struggling to survive on a human substrate.

And conversely: if a human being actively enters any such cultural environment, by upbringing, by local or social circumstances, or for personal reasons or a profession, the memes in vigor in that environment at that time will have an influence on the thoughts of that individual. And consequently on his or her actions and behaviour, and lastly, on her or his own utterances, thus propagating the culture in his environment.

The linking pin between this train of thought and my research subject is that people, when dealing with a company or in fact any organisation, willingly give up some of their autonomy to have their behaviour increasingly steered by the culture in vigor in this (new) environment: by the ruling memes. In many cases company culture shows some traits resembling religious belief and in some cases to work at a company requires a faith bordering the religious. When defining company behaviour, I suggest that the leading principle be therefore not defined by the specific details of the people and processes it encompasses, but by the ‘ensemble’ of cultural elements that shapes it and defines its corporal behaviour. That is: behaviour that is autonomous and in a sense independent of the behaviour of the constituent human beings that are merely the computer that the company runs on.

The central thesis of my research project is this: companies are behavioural patterns in space and time steered by memes, through which material, people and information flow. Verder lezen The Meme Machine

Information, Entropy, Complexity

Original question

If information is defined as ‘the amount of newness introduced’ or ‘the amount of surprise involved’ then chaotic behaviour implies maximum information and ‘newness’. Systems showing periodic or oscillating behaviour are said to ‘freeze’ and nothing new emerges from them. New structure or patterns emerge from systems showing behaviour just shy of chaos (the edge of chaos) and not from systems showing either chaotic or oscillating behaviour. What is the, for lack of a better word, role of information in this emergent behaviour of complex adaptive systems (cas).

Characterizing cas

One aspect characterizing cas is generally associated with complex behaviour. This behaviour in turn is associated with emergent behavior or forming of patterns new to the system, that are not programmed in its constituent parts and that are observable. The mechanics of a cas are also associated with large systems of a complicated make-up and consisting of a large number of hierarchically organised components of which the interconnections are non-linear. These ‘architectural’ conditions are not a sine-qua-non for systems to demonstrate complex behaviour. They may very well not show behaviour as per the above, and they may for that reason not be categorised as cas. They might become one, if their parameter space is adapted via an event at some point in time. Lastly systems behaviour is associated with energy usage (or cost) and with entropy production and information. However, confusion exists as to how to perform the measuring and interpret the outcomes of measurements. No conclusive definition exists about the meaning of any of the above. In other words: to date to my knowledge none of these properties when derived from a cas give a decisive answer to the question whether the system at hand is in fact complex.

The above statements are obviously self-referencing, unclear and undecisive. It would be useful to have an objective principle by which it is possible to know whether a given system shows complex behaviour and is therefore to be classified as a cas. The same goes for clear definitions for the meaning of the terms energy, entropy (production) and information in this context. It is useful to have a clear definition of the relationships of some such properties between themselves and between them and the presumed systems characteristics. This enables an observer to identify characteristics such as newness, surprise, reduction of uncertainty, meaning, information content and their change.

Entropy and information

It appears to me (no more than that) that entropy and information are two sides of the same coin, or in my words: though not separated within the system (or aspects of the same system at the same time), they are so to speak back-to-back, simultaneously influencing the mechanics (the interrelations of the constituent parts) and the dynamics (the interactions of the parts leading up to overall behavioral change of the system in time) of the system. What is the ‘role’ of information when a cas changes and how does it relate to the proportions mentioned.

The relation between information and entropy might then be: structures/patterns/algorithms distributed in a cas enable it in the long run to increase its relative fitness by reducing the cost of energy used in its ‘daily activities’. The cost of energy is part of the fitness function of the agent and stored information allows it to act ‘fit’. Structures and information in cas are distributed: the patterns are proportions of the system and not of individual parts. Measurements therefore must lead to some system characteristic (ie overall and not stop at individual agents) to get a picture of the learning/informational capacity of the entire CAS as a ‘hive’. This requires correlation between the interactions of the parts to allow the system to ‘organize itself’.

CAS as a TM

I suspect (no more than that) that it is in general possible to treat cas as a Turing Machine (TM), ‘disguised’ in any shape or, conversely, to treat complex adaptive systems as an instance of a TM. That approach makes the logic corresponding to TM available to the observer. An example of a system for which this classification is proven is 2-dimensional Cellular Automata of Wolfram class 4. This limited proof decreases the general applicability, because complex adaptive systems, unlike TM in all aspects, are parallel, open and asynchronous.

Illustration

Perhaps illustrative for a possible outcome, is, misusing the Logistic map because no complexity lives there, to ‘walk the process’ by changing parameter mu. Start at the right: in the chaotic region, newness (or reduction of uncertainty / surprise / information) is large, bits are very many, meaning (as in emerging patterns): small. Travel left to any oscillating region: newness is small, bits are very few, meaning is small. Now in between where there is complex behaviour: newness is high, bits fewer than the chaotic region, meaning is very high.

The logical underpinning of ‘newness’ or ‘surprise’ is: if no bit in a sequence can be predicted from a subset of that sequence, it is random. Each bit in the sequence is a ‘surprise’ or ‘new’ and the amount of information is highest. If 1 bit can be predicted, there is a pattern, an algorithm can be designed and, given it is shorter than this bit (this is theoretical) the surprise is less, as is the amount of information. The more pattern, the less surprise it holds and the more information appears to be stored ‘for later use’ such as processing of a new external signal that the system has to deal with. What we observe in a cas is patterns and so a limitation of this ‘surprise’.

A research project

I suggest the objective of such project is to design and test meaningful measurements for entropy production, energy cost and information processing of a complex adaptive system so as to relate them to each other and to the system properties of a cas in order to better recognize and understand them.

The suggested approach is to use a 2-dimensional CA structure parameterized to show complex behavior as per Wolfram class 4 as described in ‘A New Kind of Science’ of Stephen Wolfram.

The actual experiment is then to use this system to solve well-defined problems. As the theoretical characteristics of (the processing of and the storage by) a TM are known, this approach allows for a reference for the information processing and information storage requirements that can be compared to the actual processing and storing capacities of the system at hand.

Promising measurements are:

Measurement Description Using
Entropy Standard: this state related to possible states Gibbs or similar
Energy cost Theoretical energy cost required to solve a particular problem versus the energy the complex adaptive system at hand uses See slide inserted below, presentation e-mailed earlier: https://www.youtube.com/watch?v=9_TMMKeNxO0#t=649

Schermafdruk van 2015-06-09 12:56:03

Information Earlier discussion: Using this approach, we could experimentally compute the bits of information that agents have learned resulting from the introduction of new information into the system. I suggest to add: ..compute the bits of information that agents have learned relating to the system…. That subset of information distributed stored in the system representing the collective aspect of the system, i.e. distributed collective information. Amount of information contained in the co-evolving interfaces of the agents or parts of the system equivalent to labels as suggested by Holland.

Heat and Information

David Wolpert of SFI presents a logical model of the relation between heat and information. Many things fall out of this, and satisfying, for me at least, is that complex adaptive systems are large and by considered to be engineered systems: computers in other words. Ground breaking stuff that I want to learn much more about.

Kapitalisme en Vooruitgang

goudzwaardDeze post is gebaseerd op het boek Kapitalisme en Vooruitgang van Bob Goudzwaard, professor filosofie aan de VU Amsterdam en mede-oprichter van het CDA van het gereformeerde contingent. Ik was benieuwd of economische groei een ‘natuurwet’ is of dat dat iets is dat wij onszelf opleggen. Die vraag is deels beantwoord, namelijk het laatste. Wat er ‘gratis’ bij kwam is een beschrijving van de samenleving die de westerse mens heeft onwikkeld in zijn streven naar vrijheid en beheersing, om zich vervolgens afhankelijk te maken van die maatschappelijke inrichting.

De eerste zin van het boek is: ‘Zoals in de evangeliën wordt vermeld draagt elk geloof, hoe klein het ook is, het vemogen in zich tot het verplaatsen van bergen’. Zonder commentaar parkeer ik hier die zin voor later gebruik.

De Renaissance heeft de betekenis van de kerk voor het dagelijks, inclusief economisch, leven losgemaakt van God. In de plaats van de verticale structuur zoals de gildes van de middeleeuwen ontstond de mogelijkheid van horizontale ontwikkeling, de onderneming wordt zelfstandig. Arbeid, grond en kapitaal worden losgemaakt van de bestaande structuren en dienen rationeel te worden ingezet. Het handelen wordt bepaald door: ‘no moral rule above the letter of law’ (Hobbes).

Niet langer was de voorzienigheid van de middeleeuwen relevant, die het dagelijks leven voorzag in de besturing door God en bovendien het bouwen van de mens op eigen mogelijkheden veroordeelde. Het einde van de Goddelijke lotsbepaling werd tot stand gebracht door deïsme: zelf-vrijspraak en zelf-openbaring. God schept de wereld en alles erop en daarna is zijn rol uitgespeeld. Bovendien levert hetgene dat overblijft van de voorzienigheid alleen maar ‘goede uitkomsten’ op voor degenen die met de voorgeschreven orde willen leven. Naast christendom kwam het humanisme op als levensovertuiging met idealen van het streven naar vrijheid en beheersing.

De mechanistische ‘invisible hand’ van Adam Smith was een deïstische uitdrukking van de voorzienigheid. De ‘invisible hand’ brengt mensen ertoe het algemeen welzijn te dienen, zelfs al denken zij dat ze hun eigen belangen nastreven. Zo draagt een ieder die meedoet bij aan: ‘that great purpose of human life which we call bettering our condition’. Door een verregaande arbeidsdeling wordt productie efficiënter ingezet wat een grotere welvaart inclusief ‘wealth of nations’ oplevert.

Het klassieke economische wereldbeeld

1) Mens versus natuur: het economisch leven wordt getypeerd door een individu door zijn eigen menselijke arbeid in een gegeven natuur tot een zo groot mogelijke welvaart probeert te komen. Daarbij is het voornaamste instrument zijn eigen rationeel inzicht. De betekenis van het leven ligt in de omgang met de dingen van deze wereld, de natuur. De individu maakt zich waar door de dingen die hij zelf denkend en scheppend vormgeeft. De markt is niet een ontmoeting van mensen maar een ontmoeting van ieder individu afzonderlijk met een voor hem gegeven prijs. De markt is een belangeloos mechanisme

2) Dienend natuurrecht: Smith stelt voor opbloei van de welvaart de voorwaarde het respecteren van de natuurlijke orde, namelijk wat het natuurrecht vergt. De prijs die een individu ontvangt voor zijn inzet is een prijs die tot stand komt onder vrije mededinging op de markt en het natuurrecht is het recht op vrije mededinging. Het is aan de onverheid om die rechten te beschermen, zoals eigendom, contractsluiting en vrije vestiging. Het recht is dienend geworden aan de economie

3) Evenwicht als harmonie: het nieuwe voorkomen van de voorzienigheid is een evenwicht op de markt als gevolg van de werking van de ‘invisible hand’. Harmonie ontstaat als er evenwicht op de markten is: daar worden menselijke belangen gewogen. Die harmonie wordt bereikt, ook als een ieder zijn eigenbelang maximaal nastreeft. Dat laatste is dus niet een adagium, maar het draagt ook bij aan de harmonie. Hier is een paradox (Mandeville), namelijk: het gaat niet aan om tegelijkertijd maximalisatie van materiële zaken na te streven en vol te houden dat men de menselijke moraal voor ogen heeft. Uiteindelijk moet er gekozen worden

4) Verband tussen materiële welvaart en moraal: dat is utilitarisme (nuttigheid, Bentham): de mens beslist door een afweging van nut, namelijk consumptiegoederen, en noodzaak, namelijk te verrichten arbeid (samen ‘utilities and disutilities’), om te komen tot een maximalisatie van nut. Bentham stelt dat dat is wat individuen en instituties behoren te doen. Het is de moraal van ‘the greatest happiness for the greatest number’. De moraal is aangepast aan de economie

Vooruitgangsgeloof

Tijdens de verlichting kwam het inzicht dat men vooruitgaat door doelbewust te handelen en geleid door verstandelijke overwegingen om zich te bevrijden. Het vooruitgangsgeloof hechtte zich in de westerse cultuur. Dat kan, net als voorzienigheid en humaniteit, niet worden bewezen, het is een geloof. Geloof in vooruitgang houdt in het geloof dat de situatie in alle aspecten beter is op een later tijdstip dan op een eerder. Alleen door zich te verbeteren in alle aspecten van de wetenschap kan in dit geloof vooruitgang worden geboekt.

Alleen als de mens zich laat leiden door dit geloof is er zekerheid dat vooruitgang zal worden geboekt. Daarvoor is vervolmaking van de mens zelf nodig. Het proces van vooruitgang gaat niet buiten de individu om, maar speelt zich in de individu a die zelf groeit in zijn strijd met de natuur. Met dat sluitstuk kan het verloren paradijs alsnog bereikt worden en is deze ideologie praktisch geworden: het verbeteren van zichzelf is het programma dat leidt tot vooruitgang.

De verlichting heeft de basis gevormd voor de grote revoluties in Europa. De logica is als volgt: de mens is in principe goed. Het kwaad op deze wereld komt dus niet van binnen maar van die maatschappelijk structuren die de mens dwingen tot onrecht. De conclusie is dat de vijand van de veranderingsgezinde individu degenen zijn die zich met de gevestigde maatschappelijke orde hebben vereenzelvigd. Want daardoor staan zij de benodigde aanpassingen in de weg. En het logische sluitstuk is dan dat hun eliminatie de weg is om het maatschappelijk heil weer beschikbaar te krijgen.

De levensvisie tijdens de industriële revolutie (in Engeland) was een synthese van: individualistisch-puriteinse beroepsethiek, deïstisch-utilitaire maatschappijbeschouwing en een ongecompliceerd vooruitgangsgeloof. In Frankrijk was het eerder een verzet tegen bestaande instituties en het bevorderen vann het heil van de natie. Waar de industriële revolutie scheef liep is in de absolute voorrang in de ontwikkeling van de cultuur voor techniek en industriële productie, terwijl sociaal-ethische en rechtvaardigheidsnormen weinig aandacht kregen. Utilitariteit kreeg a priori het morele primaat: al het andere was dienstbaar gemaakt, waardoor gelijktijdige verwerking van economische en niet-economische normen niet mogelijk was

Programma van verbeteringen

De factoren die economische groei mogelijk maken zijn: menselijke arbeid efficiënter inzetten, gereedschap inschakelen, arbeid afzonderen voor het stelselmatig verbeteren van gereedschap en werkmethoden.

Door het vooruitgangsgeloof worden deze tot het uiterste benut, omdat van hun inzet de komst van het totale menselijk geluk in de samenleving afhangt. Het geloof in vooruitgang is direct gekoppeld aan een praktisch en concreet programma van verbeteringen. Als deze groeifactoren echter geïsoleerd en absoluut worden ingezet, dan heeft de individu initieel wel beheersing over de natuur, maar uiteindelijk wordt het individu afhankelijk van die factoren die hij zelf op de troon heeft gezet.

Na 1850 verandert het vooruitgangsgeloof van een ideologie tot een praktische en meetbare vooruitgang in technisch, economisch en wetenschappelijk opzicht en vooruitgaan wordt een doel op zich, belangrijker dan het einddoel. Duidelijk wordt dat de mens een stap is in de evolutionaire keten van opvolging. Omdat het evolutionaire proces al bestond, is de mens ‘maar’ een schakel en in plaats van het subject van de vooruitgang een object ervan geworden. Een andere invloed uit de evolutieleer is dat de ontwikkelingen tot stand moeten komen door een selectieproces: competitieve strijd en aanpassingen aan de omgeving bieden de beste kansen op de uiteindelijke overwinning.

Ontwikkeling van het kapitalisme na 1850

1) Ondernemingen worden groter, ondernemerschap en eigenaarschap worden gescheiden. De arbeidsverdeling wordt geperfectioneerd. De ondernemingen gaan voor hun zelfstandig voortbestaan leiding en kapitaal opeisen: niet de wil van de ondernemer maar de wet van de maatschappelijke evolutie is maatgevend geworden. De ondernemersfunctie wordt aan het bedrijf gebonden: het bedrijf als systeem heeft continue leiding nodig en de onderneming gaat de ondernemersfunctie als onderdeel van het eigen systeem opnemen: in plaats van dat de ondernemer eigenaar van de onderneming is, lijkt nu de onderneming de eigenaar van de ondernemer te worden. Datzelfde geldt voor technische vernieuwing. Door deze ontwikkelingen is niet langer alleen de kapitaalverschaffer de principaal en verschuift het ondernemingsdoel van rendement naar continuïteit. In de nieuwe omgeving waar economische en sociale vooruitgang een constante zijn geworden, is dit voor de onderneming een aanpassing van de onderneming aan die vooruitgang.

2) Relatie tot concurrenten en consumenten. De positie ten opzicht van concurrenten is steeds meer gericht op mededinging. Via prijsconcurrentie kan door vrije concurrentie de overlevende / winnaar een monopolie toevallen. Concurrentie richt zich in toenemende mate op technologische concurrentie en op beïnvloedingsconcurrentie: door de smaak van de consument te sturen wordt een trouwe klantenbasis opgebouwd, waardoor de continuïteit van de onderneming zeker wordt gesteld. De smaken van de afnemers worden als het ware in de planning van de onderneming opgenomen. De consument verliest zijn souvereiniteit

3) De relatie onderneming tot overheid. Door het uitgangspunt van laissez faire als economische exponent van de vooruitgang met volledige mededinging als ideaal, moest de overheid zich actief bemoeien met de economie. Ook de overheid ontkwam niet aan de consequenties van vooruitgang als systeem. Een ander aspect was bestrijding van de werkloosheid: om de individu in staat te stellen zichzelf te ontplooien, was werkgelegenheid belangrijk en daar was een rol voor de overheid weggelegd.

Dus wordt souvereiniteit opgeofferd aan de vooruitgangsideaal door de onderneming, de ondernemer, de consument, de individu en de overheid. Om de voortdurende vooruitgang in stand te houden is een samenlevingssysteem nodig dat hieraan dienend is. Gedrag van mensen dat gericht is op het voorkomen van een niet-gewenste einduitkomst van het vigerende systeem is een overlevings-ethiek. Dat biedt niets nieuws, omdat dat is afgeleid van datzelfde systeem, zij het dan om een ongewenste uitkomst te voorkomen.

De aangepaste mens

Citaat: ‘In een samenleving, waarin de vooruitgang de toon aangeeft en alle menselijke instituties en relaties daarop steeds meer zijn afgestemd geraakt, is het immers niet meer dan logisch dat ook de leden van die samenleving in hun eigen denken, doen en laten daardoor fundamenteel worden geraakt en beïnvloed. Waarom zouden wel grootheden en instituties zoals de techniek, de overheid, het prijzen- en geldstelsel en de ondernemingsfunctie aan internaliseringskrachten bloot staan en de mens zelf niet? Ook zal hij welhaast onweerstaanbaar worden getrokken binnen het krachtenveld van de vooruitgang.’ Voorbeelden zijn:

  • De ondernemer of manager moet voortdurende denken en handelen in termen van het economische meegroeien en technisch voorblijven. Dit vergt een diepgaande mentale inspanning en een ingreep in de levenshouding
  • Voor de werknemer zijn veel werkzaamheden zeer gefragmenteerd en zodanig ontdaan van hun menselijkheid. Dat is van invloed op hun gedachten en hun omgang met anderen. Als die werkwijze al wordt gewaardeerd dan lijkt dat er eerder het gevolg van te zijn dat de individu zich aan de machine heeft aangepast dan andersom
  • De verhoudingen tussen mensen wijken voor relaties tot dingen. Ook al is dat duidelijk, er is geen verandering in deze benadering, het lijkt alsof de westerse mens verlamd is geraakt in dit maatschappelijk bestel en dat de maker van de vooruitgang machtelozer wordt ten opzichte van die vooruitgang
  • De keuze voor het individu is nu tussen zich revolutionair afwenden van deze maatschappij of zich continu en onbeperkt aan te passen aan alle eisen van het systeem

De zetel van de macht

Er is een sterke binding van de westerse mens aan zijn vooruitgangsgeloof. Dat geloof heeft religieuze aspecten. Een kenmerk van elk geloof en elke vorm van religie is dat het zijn aanhangers nooit onveranderd achterlaat: het drukt een stempel op hen en op hun denken en hun relatie met anderen. Het besef van machteloosheid hangt samen met de geloofsdimensie van het vooruitgangsmotief: de eigen macht is gedelegeerd en het vooruitgangsgeloof lokt juist uit tot die overdracht van macht. De vraag is niet langer: hoe zien wij economie, techniek en wetenschap, maar hoe zien zij ons?

De humanistische beheersings- en de vrijheidsideaal zijn aan elkaar gerelateerd, omdat persoonlijke vrijheid het best tot uiting komt door het beheersen van de wereld. Er is een spanning tussen, want beide eisen de hele mens en de hele wereld op. Je kunt niet alle processen in de wereld willen kennen maar ervan afzien zodra je persoonlijke vrijheid in het gedrang komt of aan de hele wereld je vrije wil opleggen maar ophouden als je ziet dat je beheersing van de wereld daardoor in het gedrang komt. Ook het vooruitgangsgeloof, voortgekomen uit het humanisme, draagt die spanning in zich. Het kan niet anders dan de hele wereld en alles daarin aan zich ondergeschikt te maken.

De westerse samenleving heeft zich geordend en geschikt tot een doelgericht systeem ter bevordering van economische en technische vooruitgang en oefent een aanhoudende druk uit op individuen om zich aan te passen. Deze objectivering van mensen staat in verband met de beheersingsdrang van diezelfde mensen en hun vooruitgangsgeloof. Thompson: ‘We started with the law of the survival of the fittest, but now end with the law of the fitting of the survivors’. Op dit punt breng ik de eerste zin uit het boek in gedachten: door het geloof in vooruitgang doet iedere individu er alles aan om dit vooruitgangsmodel tot werkelijkheid te maken.

Goudzwaard noemt deze samenleving een gesloten of een tunnelsamenleving: een strakke organisatie is gecombineerd met allesoverheersende doelstellingen. Daarbinnen staat alles in dienst om zo snel mogelijk het eind van de tunnel te bereiken. In de sociale betrekkingen heeft niets waarde dat niet bijdraagt aan het voortbewegen in die tunnel, al het andere is zinloos of waardeloos. Dit is een gechargeerd model: de meeste westerse samenlevingen zijn minder gesloten. De sleutel om te ontsnappen aan deze tunnel moet worden gezocht aan de wortel van het humanistisch ideaal, namelijk beheersing versus vrijheid. Dat overstijgt alle politieke of institutionele krachten: de structuur van de op vooruitgang gebaseerde samenleving is zo sterk, dat de werking van deze samenleving voortgaat, zoals een vliegwiel. Een verandering moet zich richten op het doorbreken van de verzelfstandigde rol van de vooruitgangskrachten in de samenleving. Bovendien moet voor een verandering niet de vooruitgang de maat te geven voor de samenleving, Het vooruitgangsdenken is circa 250 jaar gestart en is tot in de kleinste details en over de hele breedte in de westerse samenleving aanwezig. Het is te verwachten dat dit niet op korte termijn zal zijn aangepast.

Kranen / Cranes

20150518_170830I had originally intended to write this blog as a marketing tool, using the proceeds from my reportedly fundamental research into complexity and business. This objective has failed miserably from the outset: the subject is perceived as technical, abstract with no immediate application or use for potenital reader.

The literature I am basing my research upon is largely in the English language; potential readers of my research proceeds are not necessarily proficient in Dutch.

Dennett says it (Darwin’s Dangerous Idea, p.338) as follows: ‘Human culture .. is not just a crane composed of cranes, but a crane-making crane.’ followed by: ‘Cultural evolution operates many orders of magnitude faster then genetic evolution and this is part of its role in making our species special, but it had also turned us into creatures with an entirely different outlook on life from any other species.’.

To cut a long story short: as you may not have noticed, I am changing to writing more posts in English, because I reckon it is a better crane to build my ‘addition to human culture’ with, and so, hopefully, delivering knowledge that is more useful to others (or useful to more others), as the language itself can no longer be the hurdle.