Notities over Methode / Methodologie

Philosophy (φιλοσοφία, philosophia, “love of wisdom”) is the study of general and fundamental problems such as existence, knowledge, values, reason, mind, and language. Philosophical methods include questioning, critical discussion, rational argument, and the systematic presentation of big ideas. Philosophy is the general and fundamental study of almost any topic. Richard Feynman argues that the philosophy of a topic is irrelevant to the primary study of a topic, saying that “philosophy of science is as useful to scientists as ornithology is to birds.”

Philosophies of the particular sciences range from questions about the nature of time raised by Einstein’s general relativity, to the implications of economics for public policy. A central theme is whether one scientific discipline can be reduced to the terms of another. That is, can chemistry be reduced to physics, or can sociology be reduced to individual psychology? The general questions of philosophy of science also arise with greater specificity in some particular sciences. For instance, the question of the validity of scientific reasoning is seen in a different guise in the foundations of statistics. The question of what counts as science and what should be excluded arises as a life-or-death matter in the philosophy of medicine. Additionally, the philosophies of biology, of psychology, and of the social sciences explore whether the scientific studies of human nature can achieve objectivity or are inevitably shaped by values and by social relations.

Metaphysics replaces the unargued assumptions embodied in such a conception with a rational and organized body of beliefs about the world as a whole. Epistemology seeks by argument to make explicit the rules of correct belief formation. Everyone governs their conduct by directing it to desired or valued ends. Ethics, or moral philosophy, in its most inclusive sense, seeks to articulate, in rationally systematic form, the rules or principles involved.

Methodologie is de verantwoording van de gebruikte methode: die kan de vorm hebben van een debat, een beargumenteerd standpunt van een school, beschrijvend onderzoek naar een standpunt of debat, filosofische analyse.

Volgens welke procedure kunnen wij tot empirisch toetsbare economische theorieen komen en hoe kan een theorie worden getoetst? De hypothetisch deductieve methode schrijft een procedure voor.

Volgens het hypotetisch deductieve model van wetenschappelijk onderzoek wordt bij een toetsing dezelfde procedure gevolgd als bij de toepassing: in beide gevallen wordt volgens Jehle (par. 2.1.2) de theorie opgevat als een wetmatige uitspraak: ‘onder deze set van omstandigheden x doet zich verschijnsel y voor.’

HD-m: observatie >> inductie >> deductie >> toetsing >> evaluatie>> ga terug naar observatie.

Fasen van HD-m volgens Popper: P >> TT >> EE >> P* >> TT* etc (P probleemstelling, T tentative trial, E elimination of error, * volgende ronde, P* is de probeemstelling minus de geconstateerde foute oplossing (error). Economen hebben veel toetsing weggelaten en de cyclus niet volledig doorlopen.

Het doel van HD-m is kennis verwerven die in staat stelt te verklaren of te voorspellen. Hiervoor is het deductief-nomologisch model door Hempel-Oppenheim geformuleerd. De pijlers van dit model zijn: de ‘covering law these’ en de ‘symmetrie these’.

Covering law: een wetenschappelijke verklaring heeft de vorm van een syllogisme. Voor die randvoorwaarden of beginvoorwaarden geldt deze uitspraak altijd: covering.

Symmetrie: verklaren en voorspellen hebben dezelfde logische structuur. Het verschil in aanpak is dat de verklaring uitgaat van een verschijnsel terwijl de voorspelling erop vooruitloopt. Uitgaande van de bekende omstandigheden en kennende de wetten is een verschijnsel te verklaren. Voorspellen werkt andersom: een voorspelling die uitkomt wordt een verklaring. Elke verklaring is potentieel een voorspelling en omgekeerd [Hempel 1965, p 367]. De denkmethode is andersom: progressive of regressive deductie (par. 2.3.1.): op basis van verwachtingen over omstandigheden een voorspeling doen over een ontwikkeling, toetsen of die voorspelling uitkomt en dus het model valide is.

De logische (1 tm 3) en empirische (4) adequaatheidsvereisten voor wetenschappelijke verklaringen zijn [Hempel 1965, pp 247-9]:

1) logisch moeten de premissen relevant zijn voor het te verklaren of te voorspellen verschijnsel

2) de major premisse moet een wet zijn en ten minste 1 premisse moet geldingscondities bevatten

3) De explanans uitspraken moeten zo zijn geformuleerd dat zij empirisch toetsbaar zijn

4) Bij toepassing moet voldaan zijn aan de eis dat de de explanans uitspraak empirisch waar is.

Hypothese = gissing, vermoeden: hoe meer mogelijkheden worden uitgerangeerd des te informatiever de gissing.

Veronderstelling = aanname. Hulphypothese = aanvullende aanname.

Theorema = afgeleide stelling, slotconclusie. Een theorema kan een hypothese zijn.

Lemma = tussentijdse conclusie

Axioma = woord dat zelf niet meer deductief logisch kan worden bewezen

Afnemende graad van algemeenheid: fundamentele veronderstellingen > veronderstellingen over het verklaringsideaal > veldveronderstellingen > hulphypothesen

Verifieren van een hypothese: toetsingsprocedure die ten doel heeft vast te stellen of een bewering waar is, in overeenstemming met de feiten. Universele hypothese (voor alle x geldt) kan niet worden geverifieerd maar wel gefalsifieerd. Existentiele hypothese (er is tenminste 1 x waarvoor geldt) kan alleen worden geverifieerd (geen yeti vinden betekent niet dat niet bestaat). Singuliere hypothese (x is een y) kan worden geverifieerd en gefalsifieerd. Gecorroboreerd betekent: ondanks verschillende pogingen om een hypothese te weerleggen is dat vooralsnog niet gelukt.

Niet goed toetsbaar zijn: tautologie, definitie, normatieve uitspraken, vage uitspraken, hypothesen die wel in theorie maar om allerleid redenen niet in de praktijk toetsbaar zijn.

De combinatie van verifieren en falsifieren is reduceren ofwel herleiden. Het constateren van feiten kan niet alleen met falsificatie. Bij controle van een paspoort wordt eigenschap E n+1 gevonden. Die moet inductief aan de lijst van te controleren elementen voor de vaststelling van de echtheid van het paspoort worden toegevoegd. Een vleugje inductie is nodig om verder te komen.

Via de HD-m methode worden hypotheses getoetst en zo wordt vooruitgang geboekt. Is de kennisaanspraak controleerbaar, is hij terecht, en neemt onze kennis erdoor toe?

Logisch geldige argumentatievormen (Methode – Logica):

1 Modus Ponens: Deductie – Deductief: als p dan q, p, dus q

3 Modus Tollens: Reductie – Deductief: als p dan q, niet q, dus niet p

Logisch niet geldige argumentatievormen (Methode – Logica):

2 Als p dan q, niet p, dan niet q?

4 Drogreden, bevestiging van de consequent: Als p dan q, q, dan p?

Deze zijn logisch dus niet geldig maar kunnen nuttig zijn om een onderzoek op nieuw spoor te zetten 2 of in een bepaalde richting voort te zetten 4.

Nieuwere wetenschapsfilosofie

De epistemologische opdracht is uit te vinden of een hypothese geloofwaardig is of niet. Als p dan q, niet q, dus niet p: als we q betrouwbaarder vinden dan p dan keuren we p af. Wat tegen de hypothese pleit laten we zwaarder wegen dan wat er voor pleit. Omdat de empirie niet zo uitsluitend is als soms wordt aangenomen bestaat het toetsen vooral uit het toetsen van een hypothese aan een andere hypothese [Against Method . Feyerabend 1975]. Want wat wij een feit noemen hebben wij omarmd als vertrouwenwekkend. Maar een feit is niet meer dan een getekende checque: pas iets waard als iemand zijn vertrouwen eraan heeft gegeven.

Maar niet het hele belang van de methode is verloren: met de lancering van een nieuwe theorie krijgt ook het veld vorm en worden nieuwe toetsingsmethodes ontwikkeld. Als p en q dan r, niet r, dus niet (p en q). Waar zit dus de fout, in p of in q? Nooit wordt een hypothese volledig geisoleerd getoetst, vrijwel altijd zijn aanvullende hypotheses nodig, die dan ook worden meegetoetst.

Feiten zijn niet een resultaat van objectieve waarneming en beschrijving, maar van een constructie, een samenspel van analyse en synthese. Bovendien zijn er waarnemingsprotocols, definities en klassificaties. Feiten zijn dus theorie afhankelijk.

Wetenschappelijk observeren is een vorm van experimenteren: het is planmatig en protocollaire activiteit. De eisen eraan zijn: 1) het waarnemingssubject is inwisselbaar, 2) interpretatie en registratie moet gescheiden zijn (vooroordelen vermijden), 3) trefzekere kwalificatie van verschijnselen leidend tot kwantificering ervan.

Introspectie als naar binnen gerichte observatie methode: gezond- of boerenverstand.

Simulatie is proefondervindelijk onderzoek op een model. Het doel is te weten te komen wat er zal gebeuren als de echte condities overeenkomen met de modelcondities. Het gaat niet om de exacte herhaling (ivm de moord op de stand-in) maar om een nabootsing ervan. Simulatie is niet een toestand maar een toedracht. Simulatie als experimentele methode is een manier om via manipulatie van het model informatie te verkrijgen over de structuur of de werking van het systeem dat door dit model wordt gerepresenteerd. Modellen zijn schakels tussen onze wiskundige kennis en de wereld: ‘De wereld is de wereld, alleen onze modellen kunnen wiskundig zijn.’ [Harré, R. . An Introduction to the Logic of Sciences . London . 1960, p 95].

Een simulatie is geen kopie van de werkelijkheid maar komt ermee overeen in belangrijk geachte opzichten. Het fundamentele probleem is een schaalprobleem: hoe de gevonden resultaten kunnen worden ‘teruggeprojecteerd’ op de werkelijkheid.

Logische analyse is het verdelen van complexe uitspraken in kleinere om ze te verhelderen. Russell heeft dat verruimd tot een taalanalyse om samengestelde uitspraken tot elementaire uitspraken te ontleden om van elk de geldigheid te kunnen vaststellen.

De Axiomatisch-deductieve methode (AD-m) bestaat uit:

Stap 1) een theorie opvatten als een onsamenhangend geheel van uitspraken, een aggregaat. Door axiomatisering dit aggregaat omvormen tot een axiomatisch-deductief systeem door uitspraken te verdelen in axioma’s (woorden die zelf niet meer deductief logisch kunnen worden bewezen) en overige uitspraken waarvan bewezen moet worden dat ze ook uit de axioma’s kunnen worden afgeleid. Dit zijn de tussentijdse conclusies (lemma) en slotconclusies (theorema).

Stap 2) omzetting in een calculus: de beschrijvende termen zijn vervangen door symbolen en de regels voor het gebruik van de symbolen. Het axioma stelsel hoeft niet evident te zijn maar wel consistent, namelijk: geen logische tegenspraak, geen axioma voor het bewijzen van het theorema mag ontbreken (volledigheid), de redenering zelf moet uit logisch geldige argumenten bestaan (zindelijk). Als hieraan is voldaan dan is het AD-m systeem ‘logisch adequaat’.

Stap 3) de betekenis van een wiskundig theorema moet worden geinterpreteerd: de betekenis in economische zin moet worden begrepen.

Bij het uitvoeren van een onderzoek zijn deze keuzemomenten van belang:

Keuzemoment 1: het zien van een probleem. In de economie is het coordinatieprobleem bijv. al eeuwenlang het belangrijkst: hoe kunnen de plannen van individuen die op eigen voordeel uit zijn en die via vrijwillige ruil met elkaar in contact staan toch een overeenstemming bereiken?

Bij keuzemoment 1: Realisme (economische theorie is een afspiegeling van het proces zoals dat in feite toegaat) versus idealisme (voorstelling van het beste van alle werelden) versus constructivisme (de werkelijkheid wordt steeds opgebouwd uit kennisstructuren van het systeem, die wij opbouwen door open te staan voor ervaringsgegevens).

Keuzemoment 2: welke probleemstelling verdient de onderzoeksprioriteit? De kunst van het ontdekken (heuristiek) betekent dat de onderzoeker zich realiseert wat de oplossing bijdraagt en niet blind een bepaald onderzoeksgebied uitbouwt.

Bij Keuzemoment 2: Individualisme (economische verschijnselen moeten worden opgebouwd uit individuele keuzes, besissingen en gedrag gegeven de natuurlijke omstandigheden) versus holisme (individueel gedrag moet worden verklaard uit de omstandigheden en het geheel waarvan het individu deel uitmaakt (=holos), bijvoorbeeld alle instituties, stelsel, historische ontwikkelingen.

De laatste is onder te verdelen in sociaal functionalisme de individuele rol wordt bepaald door de functie in het geheel) en sociaal evolutionisme (sociale veranderingen volgen een vast patroon bijv. revolutie theorie van Marx, 5 fasen van Rostow etc).

Bij keuzemoment 2 Deze bovengenoemde tegenstelling in keuzes tussen vrije wilsbeschikking en de situatie hangt af van wat je wilt verklaren: het geheel uit de delen of de delen uit het geheel. Deze tegenstelling kan worden overbrugd met het begrip ‘situatie’ in methodologisch situationalisme [Knorr-Cetina, K. and Cicourel, A.V.. . The micro-sociological challenge of macro-sociology: towards a reconstruction of social theory and methodology . 1981 . Advances in social theory and methodology . Boston . Pp 1-47]. 1

Tot zover ‘weten waarom’.

Keuzemoment 3: welk wetenschapssysteem: de gangbare onderzoeksrichting of een andere volgen? De aantallen alternatieven zijn dan groot: als het geen eik is dan kan het van alles zijn.

Keuzemoment 4: zijn de vooronderstellingen aanvaardbaar? Dit is niet hetzelfde als de veronderstellingen, de aannames. Vooronderstellingen zijn de aannames over het kader van het onderzoek zelf. Dit is vooral causaliteit: traditioneel keten van gebeurtenissen die leidt naar de eerste beweger. Nieuwe causaliteit is een eigenschap die aan een model wordt toegevoegd en kan verschillende vormen hebben zoals statistisch of sequentieel.

Tot hier ‘weten dat’

Een model definieert een systeem, een hypothese is een voorlopige aanspraak, een theorie is een hypothese waarvan de onderzoeker de overtuiging heeft dat die geldig is. Volgens het standaardmodel moet een theorie empirisch bevestigd worden. Een algemene theorie (een economische kringloop) kan niet empirisch worden getoetst: eerst een specifiek model opstellen (de nederlandse economie in jaar x = een toegepast model).

Keuzemoment 5: is de gevolgde methodologie aanvaardbaar? Dit is weten hoe. Wetenschap streeft naar algemeen geldige kennis: universeel geldig (voor alles) en objectief (voor iedereen). Objectiviteit wordt methodisch tot stand gebracht.

Bij Keuzemoment 5: Monisme (1 methode superieur voor alle vakgebieden) versus pluralisme (meerdere methoden voor verschillende vakgebieden mogelijk).

Bijvoorbeeld

Positieve economie = realisme, individualisme en monisme.

Instrumentalisme (Friedman) = postieve economie minus realisme, theorie beoordelen op voorspellend succes. Pragmatisme maar niet blijvend, whatever works om de theorie te vinden, niet om een permanent lapmiddel te vinden van het pragmatisme.

Analytische school: de economische wetenschap is een manier van denken: Keynes: methode om door bemiddeling van modellen correcte conclusies te trekken over de gang van zaken in een bepaalde situatie; ze hebben betekenis in relatie tot een actief subject dat doeleinden heeft en beslissingen kan nemen (agency). Het gaat hier om het aanpassen van de omgeving aan de mens, kennen is beslissen: als x en y dan z, x en y, z. Doe x en y opdat z!

Oostenrijkse school: indidualisme, dualisme, wijsgerig idealisme (wetenschappelijk kennen prevaleert boven de ervaring).

Von Mises: radicaal subjectivisme (our own mental activity is the only unquestionable fact of our experience: knowledge is merely subjective and that there is no external or objective truth), dualisme, praxeologie (handeling als causaliteit: handeling in verschillende condities, bij x condities y handeling).

Popper-Hayek programma [Boland, L.A. . 1982 . The foundations of Economic Method . London . p. 178]:

1) Mensen leren van hun ervaring: Poppers opvatting dat alle kennis feilbaar is en wetenschappelijke kennis weerlegbaar – Poppers opvatting dat actoren in hun hoofd niet iets kunnen doen dat logisch niet kan – Hayeks opvatting dat elke actor steeds rationeel handelt gegeven kennis van de situatie – Hayeks opvatting dat behalve veranderingen in de situatie ook leereffecten van de actor bepalend zijn voor zijn doen en laten.

2) Van gedragsverklaring naar handelingsverklaring: Popper probeert dualisme te overwinnen, namelijk een waarheid voor de natuur en iets anders voor de mens. De essentie van die brug is dat gedrag dat bijv. een amoebe vertoont iets anders is dan handelen dat een mens vertoont: het verschil is overleg. Dat kan niet met natuurwetten worden verklaard, omdat daar het overleg en de rationaliteit (precies het verschil tussen de beide wetenschappelijke benaderingen) niet in is inbegrepen.

Toegepaste economie is het aanwenden van kennis of methoden met een bepaald doel, zoals:

1) beschrijven hoe het echt gaat, 2) verklaren waarom het zo gaat, 3) begrijpen hoe het gaat vergeleken met een norm 4) veranderen of ingrijpen van hoe het nu gaat naar een gewenste gang van zaken. Bij 1) en 2) betreft het de specificatie van een concreet geval uit een algemene regel. 3) en 4) betreft het begrijpen van een feitelijke situatie als een bijzonder geval van een andere algemene regel.

Verklaren en voorspellen hebben dezelfde logische structuur (symmetrie these van Hempel). Een verklaring moet antwoord geven op de vraag: ‘waarom is dit het geval?’. Een succesvole verklaring bewijst waarom iets zich in de gegevens omstandigheden wel voor moet doen: een bijzonder geval van een algemene regel (of samenstel van regels = theorie). P1 Als (p en q) dan r, P2 (p en q), dus vandaar r. Volgens het deductief nomologisch model van verklaren moet P1 een algemene empirisch bewezen universele theorie zijn en moet P2 feitelijk waar zijn. Het DM-m model kan gebruikt worden met het doel om te verklaren, te voorspellen of te toetsen.

Er is een spanning tussen de veronderstelling van rationele agenten en de dagelijkse ervaring. Daarom stelt Friedman zich op het standpunt dat theorie geen empirische verklaring voor gedrag kan geven. Popper en Marschak stellen voor theorieen als maatlat of referentie te gebruiken om afwijkingen tussen modelgedrag en de wekelijkheid aan te wijzen.

Het voorspellend argument

P1 Als (hypothetische relatie H en geldingscondities A) dan (Implicatie I), hypothetische relatie H, geldingscondities A, Implicatie = voorspellende uitspraak I >>

P1 Als (H & (modelcondities M & conditie dat er geen verstoringen zijn C) dan I >>

P1 Als (H & M & C) dan I

P2 Welnu (M* & C*)

C Dus I*

* is de zwakke plekken, de major heeft de schuld afgeschoven.

Voorspellende uitspraak

Objectief (volgens waarnemingsprotocol), positief (het duidelijk wat is) en kwantitatief (richting van de verandering en de omvang van de verandering), onafhankelijk (de gegevens van de situatiebeschrijving (M* en C*) mogen niet gebruikt zijn voor het model (konijn in de hoed en dan er weer uit).

Voorspellingscondities

M* is een model van de werkelijkheid en voorwaarde C bepaalt dat naast de modelfactoren nog andere een rol kunnen spelen voor de voorspelling die buiten beschouwing zijn gelaten. Dit is de belangrijkste twijfel aan de symmetrie these van Hempel betreft voorspellingen in de toekomst, omdat niet zeker is dat er niets meer veranderen zal. Het heden is open, zodat niet alleen de voorspelling van de verklaring verandert maar ook de predictie van de retrodictie. Namelijk een syllogisme bevat een dubbele voorspelling namelijk de theorie in de major en de theorie over de toekomstige situatie in de minor. C* betekent dat alle relevante factoren in het model zijn opgenomen door d eonderzoeker en ook als ze veranderen geen invloed hebben op de voorspelling.

Voorspellingsparadoxen

Dit is het probleem van theorie absorptie [Morgenstern 1972]: als een voorspelling bekend wordt dan gaaan mensen daarop reageren en de voorspelling bevestigen (self fulfilling prophecy) of juist ontkennen (self-denying prophecy). De drogreden is de verwarring tussen kennisverwerving en kennistoepassing.

1Karin Knorr-Cetina works on epistemology and social constructionism. A knowledge object is a theoretical concept to describe the emergence of post-social relations in epistemic cultures. Knowledge objects are different from everyday things and are defined as unfolding structures that are non-identical with themselves (also Jyri Engeström). Social constructionism (also social construction of reality, also social concept) is a theory of knowledge in sociology and communication theory that examines the development of jointly constructed understandings of the world that form the basis for shared assumptions about reality. The theory centers on the notions that human beings rationalize their experience by creating models of the social world and share and reify these models through language. A social construct or construction concerns the meaning, notion, or connotation placed on an object or event by a society, and adopted by the inhabitants of that society with respect to how they view or deal with the object or event. In that respect, a social construct as an idea would be widely accepted as natural by the society, but may or may not represent a reality shared by those outside the society, and would be an “invention or artifice of that society.”

A major focus of social constructionism is to uncover the ways in which individuals and groups participate in the construction of their perceived social reality. It involves looking at the ways social phenomena are created, institutionalized, known, and made into tradition by humans. “Social construction” may mean many things to many people. Ian Hacking argues that when something is said to be “socially constructed”, this is shorthand for at least the following two claims:

(0) In the present state of affairs, X is taken for granted; X appears to be inevitable.

(1) X need not have existed, or need not be as it is. X, or X as it is at present, is not determined by the nature of things; it is not inevitable.

Hacking adds that the following claims are also often, though not always, implied by the use of the phrase “social construction”:

(2) X is quite bad as it is.

(3) We would be much better off if X were done away with, or at least radically transformed.

Social constructionism is at the nurture end of the spectrum of the larger nature and nurture debate. Critics have argued that it generally ignores biological influences on behavior or culture, or suggest that they are unimportant to achieve an understanding of human behavior. The view of most psychologists and social scientists is that behavior is a complex outcome of both biological and cultural influences. Other disciplines, such as evolutionary psychology, behavior genetics, behavioral neuroscience, epigenetics, etc., take a nature–nurture interactionism approach to understand behavior or cultural phenomena.