Leven

Eén van de aannames van deze blog is dat ondernemingen in feite levende organismen zijn. Of minstens dat ze zoveel overeenkomsten hebben wat betreft hun gedrag dat het gerechtvaardigd is om analogieën tussen bedrijven en organismen te onderzoeken. Een ander uitgangspunt is om niet te steunen op mogelijk mystieke of ‘iets-istische’ uitwegen. Er zijn geen ‘skyhooks’: mocht er (onverwacht) een model of een voorspellend systeem uit dit onderzoek volgen, dan moet dat op zichzelf kunnen staan. Er mogen best dingen onverklaard blijven (daar ga ik wel van uit), maar als een ‘goddelijke ingreep’ nodig is om het in de lucht te houden dan is dat op zijn zachtst gezegd een zwakke plek in het model.

Een organisme kan – uitzonderingen daargelaten – ook door een leek best worden gekenmerkt. Wat ze met elkaar gemeen hebben is dat ze allemaal ‘leven’. En als het geen organisme is dan is het ‘levenloos’ en als het organisme het eind van zijn leven heeft bereikt dan gaat het ‘dood’. Als bedrijven dus tot de categorie organisme horen, dan moeten ze logisch gezien ook dat kenmerk ‘leven’ bezitten.

In deze (ongeëvenaard saaie en abstracte) post 3 van 7 in deze conversatie zoek ik uit wat dat kenmerk ‘leven’ betekent, of de indeling in die categorieën voldoet. En is dat voor bedrijven van toepassing en wat is de betekenis van de uitkomst?

Om meteen maar met de deur in huis te vallen: er is geen sluitende definitie voor het kenmerk Leven. Hier is al uitgebreid over geschreven door grote geesten zoals Schrödinger (What is Life, zie de literatuur elders op deze site), Monod (Chance and Necessity), Mayr (The Growth of Biological Thought), Farmer en Berlin (Artificial Life, The Coming Revolution). Toch dacht ik stiekem best te weten wat in mijn omgeving levend is en ik heb geprobeerd een functionele beschrijving op te stellen van minimale voorwaarden ervoor. Dat viel tegen: het bleek lastig om bacteriën en koeien onder dezelfde noemer te krijgen, laat staan superorganismes (zwermen vogels en scholen vissen), leven ‘in silico’ (game of life) of bedrijven (zie bijvoorbeeld de AEX). Het volgende is duidelijk:

  • dat er (wederkerig) een reactie volgt op een actie en dat daarvoor signalen moeten worden  afgegeven, opgevangen en – al dan niet hi-fi – worden geïnterpreteerd. Dit herken ik: als ik de hond roep als hij weg is en de hond blij doet als hij terug is. Analloog: als ik een leverancier bel met een vraag dan krijg ik een antwoord (telecom providers daargelaten)
  • dat ze allemaal ‘iets (zouden kunnen) doen’ al dan niet op basis van die signalen en dat dat te maken heeft met het in stand houden van zichzelf en dat ze allemaal ergens door gemotiveerd en gestuurd worden om dat te doen. Dit ook: hij besluit na ampele overweging om terug te komen en komt terug. Soms komt hij niet terug want dan was er iets belangrijkers te doen. Dat hij terugkomt vloeit voort uit de wetenschap van de hond dat: ‘bij deze tweebenige dingen die soms heel harde fluitende (en soms andere) geluiden maken als ik ze niet zie, mij eten geven en dat dat makkelijker is dan dat ik zelf moet gaan halen’. Dat is overigens de enige reden dat roofvogels tam gedrag kunnen vertonen: ze zijn niet echt tam maar zolang het minder moeite kost bij de mens te blijven dan om zelf op jacht te gaan, blijven ze. Er is maar weinig voor nodig om ze te doen besluiten niet meer naar gevangenschap terug te keren. Eén van die belangrijke dingen waardoor hij soms niet terug komt is overigens dat hij in bepaalde tijd van het jaar de voorkeur aan geeft op pad te gaan met zijn vriendinnen. Analoog: als die vraag tot gevolg heeft dat dat bedrijf iets moet doen dan overwegen ze dat en komen er op terug met een antwoord op mijn vraag (telecom providers daargelaten: die komen wel terug met een antwoord maar die heeft dan niets met mijn vraag te maken). Hun antwoord zal dan alles te maken hebben met hun eigen voortbestaan: een afgegeven prijs is zodanig dat het bedrijf er iets aan verdient, als de prijs lager is dan is dat vanwege ‘strategische redenen’. Als het een heel ieuwe vraag voor dat bedrijf is dan wil met misschieen overwegen of ze het werk eigenlijk wel willen doen bijvoorbeeld omdat dat een nieuwe markt kan openen
  • dat ze op een geologische tijdschaal veranderen en, mits ze tijd van leven hebben, ze allemaal hun gedrag wel aanpassen als de toeschouwer (omgeving) signalen af blijft geven. Herkenbaar: omdat een bepaalde categorie hondenbezitters eindeloos signalen af is blijven geven kan ik nu een gedomesticeerde hondensoort uitlaten die soms best wel aardig luistert. In het geval van bedrijven is dit anders: er zijn namelijk bijna geen bedrijven die oud zijn op een geologische tijdschaal (zie de  conversatie ‘de oudste bedrijven’ in dit blog). Sommige zijn wel opgericht in de tijd dat de mens begon met het domesticeren van huisdieren. Ondernemingen zijn sindsdien wel geëvolueerd, bijvoorbeeld ambachtelijk produceren en leren zoals de Gildes, industrieel produceren á la Ford en Taylor en recentelijk massa-individualisatie zoals de Makers beweging
  • dat op korte termijn (binnen één biologische generatie) alleen een bedrijf, een superorganisme en ‘in silico’ leven hun gedrag aanpassen. Dat lijkt me duidelijk als het over huisdieren gaat: ik ga ervan uit dat een huisdier weer ‘gewoon gaat doen als’ hij wordt losgelaten. Het ‘flocking’ gedrag van een school vissen die wordt belaagd door jagers is zo verwarrend voor de belagers, dat de kans dat een visje verschalkt wordt, flink kleiner wordt. Niet één van die belaagde vissen heeft dat specifieke gedragskenmerk, heeft er niet de gedragsregels voor en toch houden ze zich beter staande in verschillende omstandigheden
  • dat op de keper beschouwd de soorten in alle vier categorieën zich organiseren (een biologisch organisme is opgebouwd uit clusters van complexe moleculen, en er zijn evolutiebiologen die ervan uitgaan dat organismen opgebouwd zijn uit andere (deel)organismen). Dit kan ik niet zien: weliswaar trekt een hond graag op met andere honden, maar een kat doet dat niet. In sociaal perspectief is dit dus geen universeel kenmerk.  In het geval van bedrijven is dit herkenbaar, hoewel iedereen het organiseren van een groepje anders aanpakt: in Amerika is iedereen VP, behalve de P, in Frankrijk is iedereen medewerker, behalve de P, in Nederland is iedereen medewerker, inclusief de P.
  • dat de organismen in alle categorieën, onder dezelfde aanname als hiervoor,  ‘emergent behaviour’ kunnen vertonen, al is het maar gedrag dat ze in eerdere generaties nog niet eerder hadden vertoond. Hoewel de hond af een toe onverwacht gedrag vertoont, valt dit niet in deze categorie; ook dit is eerder in een evolutionaire tijdschaal en voor mij dus niet zichtbaar. Bedrijven doen deze truc de hele tijd: eerst was er alleen een diesel en een benzine motor, toen verscheen ineens de jet-enigine op toneel, eerst was er een heel beperkte mogelijkheid om in bepaalde tijdslots een berichtje naar een andere computer te sturen, toen was er e-mail, eerst alleen websites toen zoekmachines en meta-zoekmachines en allerlei applicaties die daar weer slim gebruik van maken


Samengevat: niet alle soorten organismen in elk van die categorieën vertonen überhaupt al deze gedragskenmerken, niet voortdurend en niet allemaal in dezelfde mate. Eens kijken of er iets te leren is uit de biologie. Wikipedia geeft deze definitie voor (biologisch) leven:

‘Life is a characteristic distinguishing physical entities having signaling and self-sustaining processes from those that do not, either because such functions have ceased (death), or because they lack such functions and are classified as inanimate.’.

Het van origine Platonische onderscheid naar concrete objecten (fysieke dingen) en abstracte objecten (ideeën) voldoet niet voor bedrijven. De toepassing gaat mis, omdat een onderneming niet alleen een fysieke, concrete entiteit is (alleen uit mensen, machines en gebouwen is opgebouwd) en ook niet alleen een geheel van ideeën (concepten of zie eerdere posts: ‘Designs’) is. Eerder is het een samenstel van fysieke objecten en hun onderlinge interacties, ‘aangedreven’ door eenheden van culturele transmissie, zoals in eerdere posts geschreven, via memes.

In het platonisch bestel sluiten die twee categorieën objecten elkaar uit, waardoor sociale structuren zoals bedrijven als organisme ‘over het hoofd worden gezien’ of ‘niet mogelijk zijn’. ‘ To add insult to injury’ kunnen abstracte objecten bovendien geen causaal effect teweegbrengen. Dat is meer mensen opgevallen en een derde categorie ‘quasi-abstract objects’ is bedacht voor gebruik in de sociale wetenschappen, met name ‘social ontology’ en ‘documentality’, zie hieronder. Quasi-abstracte objecten kunnen een temporele locatie hebben en tegelijkertijd geen ruimtelijke locatie (het is er wel maar je kunt het niet aanraken). Bovendien zijn ze in staat tot causale agency, namelijk dat ze een causaal effect kunnen hebben op andere objecten en vice-versa.

In de informatica en de logica is een ontologie het product van een poging een uitputtend en strikt conceptueel schema te formuleren over een bepaald domein. Sociale ontologie is het debat over het primaat van 1) structuur of 2) agency over de richting van menselijk gedrag. Structuur betekent terugkerende afspraken volgens sjablonen (recurrent patterned arrangements), die invloed hebben op of beperkend zijn voor beschikbare keuzemogelijkheden en kansen. Agency, aan de andere kant,  is de mogelijkheid van individuen om zelfstandig en onafhankelijke vrije keuzes te maken. De essentie van de discussie is te bepalen of een individu autonoom is bij het nemen van beslissingen of beïnvloed wordt door haar sociale omgeving.

Ik maak me er eerst maar vanaf door te stellen dat mensen alleen autonoom kunnen handelen in een sociale structuur als ze in staat zijn om voldoende zelf-reflectie hebben en terughoudend zijn in het volgen van sociale sjablonen. Ik maak me sterk dat er allerlei bedrijven zijn die al dan niet tolerant zijn voor zelf-reflectie en terughoudendheid en toch, al dan niet, succesvol zijn, dus zonder correlatie tussen die kenmerken. Ik stel me ook voor dat een autonome werkhouding minder op prijs wordt gesteld voor een militair dan voor een GUI ontwerper. Het lijkt me verder redelijk om aan te nemen dat de mate van autonomie van ‘agents’ in een netwerk , c.q. de mate waarin ze open staan voor elkaars gedrag of dat deels kopiëren, van invloed is voor het gedrag van het hele netwerk, het hele systeem, het bedrijf.

Het begrip ‘documentality’ is is geïntroduceerd door Maurizio Ferraris (see Ferraris 2007, 2008, 2009). Deze theorie stelt documenten centraal in het aandachtsgebied van sociale objecten, om die te onderscheiden van fysieke en abstracte objecten. Documenten als sociale objecten zijn gedefinieerd als sociale afspraken die zijn vastgelegd, fysiek (zoals op papier of digitaal) of als afspraken in het geheugen van mensen (bijvoorbeeld werkafspraken, mores). Documenten zijn op basis van hun sociale relevantie en hun waarde te classificeren als ‘strong’, namelijk vastgelegde afspraken en ‘weak’, namelijk vastgelegde feiten. In feite is dit de sociologische vertaling van (een deel van) het begrip meme, namelijk voor zover het betrekking heeft op de sociale relatie tussen mensen en de corresponderende sociale afspraken.

In een veld van ‘agents’ en hun onderlinge connnecties stel ik me documentaliteit voor als de mate waarin een actie (c.q. het resulterende signaal) van een ‘agent’ ook steeds door de ontvangende ‘agents’ correct wordt ontvangen, wordt begrepen en wordt verwerkt tot haar eigen acties. Het lijkt een redelijke veronderstelling dat er in sommige bedrijven harder op ‘afspraak = afspraak’ wordt gestuurd dan in andere. Voor de verschillen per bedrijfstak en mate van succes is dezelfde illustratie als in de vorige alinea relevant. Verder kan de mate waarin een ‘agent’ zijn eigen gedragsregels strict naleeft (of daar afwijkingen in toestaatr) en de mate waarin communicatie tussen ‘agents’ zich volgens afspraak afwikkelt of dat daar fouten in worden gemaakt, relevant zijn voor de ontwikkeling van een netwerk.

Terug naar de definitie van biologisch leven hierboven. De verwijzing uit de Wikipedia definitie van Leven naar de eigenschappen ‘signaling and selfsustaining processes’ is daar niet goed onderbouwd. Ik interpreteer deze eigenschappen als volgt: signaling: het afgeven van signalen en het reageren op stimuli uit de omgeving van de onderneming of van andere ‘agents’ binnen de onderneming. ‘Self-sustaining’ zijn processen die erop gericht zijn dat de onderneming levend blijft.  Dit geeft bovendien samenhang aan het bedrijf (zie de post over Hive Mind) en zorgt ervoor dat de onderneming te onderscheiden blijft van haar omgeving.

Er is geen ultieme complete definitie die toepasselijk is voor alle vormen van leven. De bovenstaande, voor biologisch leven, lijkt me dan het meest passend als uitgangspunt, vooral omdat bedrijven uiteindelijk uit biologisch leven voortvloeien. Een werkdefinitie voor kantoor-parkeerplaats-en-kantinegebruik van leven voor superorganismen zoals bedrijven in dit blog is dan:

‘Life is a characteristic,  distinguishing quasi-abstract objects and availing of functionality to exchange signals and self-sustain, from those that do not have those characteristics, because they have ceased such functions (dead, bankrupt, integrated) or they lack such functions and are classified as inanimate’. Of ze zijn nog niet gestart natuurlijk. 

Tsja, daar wordt het allemaal niet veel duidelijker van: nu weet ik nog niet wat een bedrijf is als ik er één in het wild tegenkom. Ik had gehoopt op een hint naar alledaagse, objectieve parameters, maar in plaats daarvan kom ik op het groepsgedrag van mensen uit. Dat is niet de bedoeling, omdat ik mijn black box graag transparant wil houden (zie post Simplexity en Complicity) en niet alle nitty-gritty op de werkvloer in mijn systeem wil betrekken. Een ander mogelijk euvel is de schaalbaarheid: als onderdelen van een bedrijf abstract (ideeën) of fysiek (het dak) of quasi-abstract (werkafspraken) zijn, dan zegt dat nog niets over de identiteit van het bedrijf als geheel.


Er is ook winst: er is nu een verband tussen het in eerdere posts beschreven begrip meme en het sociale gedrag van mensen, die de ‘agent’ / gebruiker / gastheer zijn voor memes. Die quasi-abstracte objecten zijn mogelijk een geschikte omschrijving van memes (ik kan het om de bovenstaande redenen niet helemaal overzien).

En er is meer duidelijk geworden over de in de praktijk mogelijk minder-dan-volledige autonomie van mensen bij het nemen van beslissingen, omdat ze beïnvloed worden door sociale factoren uit hun omgeving (bijvoorbeeld: bedrijfscultuur). Daarnaast is de mate waarin ze signalen hi-fi doorgeven beperkt en / of is er ruimte voor interpretatie van de afspraken die ze maken met andere mensen / ‘agents’ / gebruikers van memes / gastheren voor memes. Als ik memes dus als uitgangspunt aanhoud en hoogstens de autonomie van de agenten en de mate van hi-fi van hun communicaties in het model in aanmerking neem dan ben ik nog goed.

Ik was van plan om in deze post ook te onderzoeken of er een graadmeter voor Leven is, maar dat plan is gesneefd, maar moet nog wel uuitgezocht worden. Wordt dus vervolgd!

Gepubliceerd door

dpbruin

PhD Candidate The Firm as an Emergent Phenomenon